Marie kamphuis stichting

Tekstgrootte

Uitgelicht

door Liesbeth Simpelaar

Serie Verleden in Beeld, met speciale aandacht voor de vrouwen in de geschiedenis 


2 november 2017

Sociale zorg in de vroege Middeleeuwen: heiligen, idealen en de rauwe werkelijkheid
Europa, 500-1000


























Hierboven is Radegundis (520-587), koningin van het Frankische Rijk, afgebeeld. Links bedankt ze vriendelijk voor de copieuze maaltijd die haar voorgezet wordt, rechts heeft ze een schortje voorgedaan en geeft ze het eten aan kreupele bedelaars. Ze werd bewonderd om haar naastenliefde, en zowel haar vriend, de dichter Fortunatus, als de non Baudonivia schreven na haar dood een biografie over haar. 
 
Radegundis was christelijk opgevoed en had Latijn en Grieks geleerd. Toen ze zeventien was werd ze gedwongen te trouwen met de koning die haar familie had vermoord. Toen het haar lukte te vluchten gaf ze haar bezit aan de armen en richtte ze een klooster op in Poitiers. Zelf ging ze ook in dat klooster wonen, maar als non, ze wilde per se geen abdis worden.
Het was niet toevallig dat Radegundis haar toevlucht zocht in een klooster: in die tijd fungeerden kloosters als opvanghuis voor vrouwen in problemen, weduwen, ouden van dagen en overtollige kinderen. Maar alleen voor mensen van adellijke of koninklijke afkomst, want het toetreden tot een klooster kostte geld (1).
Helaas kochten vrouwen zich daarmee nog geen geheel zelfstandig leven. Omdat vrouwen geen liturgische taken mochten vervullen kwamen hogergeplaatste manlijke priesters over de vloer (2). Tegen de regels in onderhield Radegundis contacten buiten het klooster en las ze niet-christelijke literatuur, en dat streek de plaatselijke opperbaas, de bisschop, tegen de haren in (3). Wie toegaf, Radegundis of de bisschop, is niet bekend.

In het hospitium dat ze bij het klooster had laten bouwen verpleegde Radegudis de zieken en gaf hen eten en nieuwe kleren. Ze had bijzondere gaven: in de biografieën staan verhalen over hoe ze mensen genas, louter door ze te wassen en aan te raken. Wonderbaarlijke genezers zoals Radegundis werden gezien als een doorgeefluik van Gods liefde en macht, en tot dan toe werd dat vermogen alleen aan mannen toegeschreven. Radegundis was één van de eerste vrouwen in Europa die om hun wonderen heilig werden verklaard en ze werd een ideaal voor middeleeuwse vrouwen die de christelijke naastenliefde wilden betrachten (4).

Het geloof in wonderen, bezweringen en waarzeggerij speelde in de vroege Middeleeuwen een grote rol. De Germanen, die in de vroege Middeleeuwen  het West-Romeinse Rijk hadden veroverd, waren vatbaar voor magie. Germanen waren van oorsprong heidense volken en de christelijke God en duivel waren een aanvulling op het geloof dat de hele natuur bezield was door bovennatuurlijke krachten. Ziektes zoals lepra, die vanaf de 5de eeuw heerste, waren een straf van God voor een zondig leven, en men dacht dat lepralijders bezeten waren door de duivel. Daarom riepen ziektes bij de gewone mensen, de boeren die het merendeel van de bevolking vormden, veel angst op.

Bedelaars, mensen die door een gebrek niet in staat waren te werken, werden als ze bij een gemeenschap hoorden vaak geaccepteerd. Maar rondtrekkende bedelaars werden weggejaagd, al hielden priesters de boeren nog zo dringend voor dat ze door het geven van aalmoezen in de hemel zouden worden beloond. Veel boeren waren zelf te arm, tussen de 6de en de 11de eeuw waren er veel hongersnoden en de bedelaars stalen het weinige wat ze bezaten.


Konden bedelaars beter bij een klooster aankloppen, als er eentje in de buurt stond? De kloosters kregen in de vroege Middeleeuwen een maatschappelijke taak: ze veranderden van pure retraiteplekken naar centra van geletterdheid, wetenschap, onderwijs, landontginning, verpleging en charitatief werk.
Benedictus van Nursia, die in 529 een klooster in Italië had gesticht, had voorschriften opgesteld die kloosters verplichtten tot liefdadigheid en die tot de 11de eeuw in Europa zouden gelden. Kloosterlingen moesten leven in vrijwillige armoede en iedereen die bij het klooster aanklopte moest worden geholpen: armen, zieken, kinderen en gasten. De Benedictijnerkloosters bouwden allemaal een hospitium en een gastenverblijf.

Helaas profiteerden alleen de mensen die geld hadden (adel en koningshuis) van het onderwijs; de boeren bleven analfabeet. En ondanks de mooie verhalen over heiligen als Radegundis, viel de praktische uitvoering van de voorschriften voor liefdadigheid over het algemeen tegen. Tot de twaalfde eeuw stelden de hospitia in Europa niet heel veel voor: er was per klooster hooguit sprake van een tiental bedden (5), en de zieken die verpleegd werden waren vooral kloosterlingen zelf. De kinderen waren afkomstig uit de adel en werden geschonken door mensen die dat konden betalen (6). Met op te vangen ‘gasten’ werden pelgrims bedoeld; monniken op reis. De maaltijden en de kleding die de kloosterlingen af en toe aan een aantal armen uit de buurt gaven, waren mondjesmaat en losten de armoede niet op (7).

Religieus gemotiveerde, vrijwillige armoede stond hoger aangeschreven dan de armoede van gewone mensen. Maar de vrijwillige armoede was lang niet zo erg, want die betekende het schenken van persoonlijk bezit aan het klooster; het gemeenschappelijk bezit was daardoor behoorlijk groot. In de 7de en 8ste eeuw werden de kloosters grootgrondbezitters, rijk en machtig.

De 9de eeuw moet een verschrikkelijke eeuw geweest zijn: Vikingen, Moren en Magyaren plunderden en vernietigden kerken, kloosters, dorpen en steden. Op den duur legden mensen hun goud en kostbaarheden alvast maar buiten als de Vikingen eraan kwamen, in de hoop dat levens, huizen en gebouwen gespaard zouden worden. Pas in de 10de eeuw begon een periode van rust en herstel. Nieuwe steden ontstonden, de handel kwam op gang en het aantal ambachten groeide. Kloosters hervormden zich en voerden de voorschriften van Benedictus weer in (8).

Samenvattend: van armenzorg was in de vroege Middeleeuwen weinig sprake. Veel boeren hadden zelf moeite het hoofd boven water te houden en de activiteiten van de kloosters waren voornamelijk gericht op eigen kring, de maatschappelijke bovenlaag. Het zou nog een hele tijd duren voor er wezenlijke verandering kwam in het lot van de armen.

Noten:

(1) Krüger, Kristina (2008): Kloosters en kloosterorden, uitg. Ulmann, p. 260
(2) Krüger, Kristina (2008): Kloosters en kloosterorden, uitg. Ulmann, p. 258

(3) Nie, Giselle de: ‘Fatherly and Motherly Curing in Sixth-Century Gaul: Saint Radegunds Mysterium’. In: Korte, Anne-Marie (ed.) (2004): Women and Miracles Stories: A Multidisciplinary Exploration, uitg. Brill, Leiden/Boston, p. 53

(4) Nie, Giselle de: ‘Fatherly and Motherly Curing in Sixth-Century Gaul: Saint Radegunds Mysterium’. In: Korte, Anne-Marie (ed.) (2004): Women and Miracles Stories: A Multidisciplinary Exploration, uitg. Brill, Leiden/Boston, p. 54,55

(5) Porter, Roy (ed) (2010: Geschiedenis van de geneeskunde, Cambridge University Press,  p. 174

(6) https://nl.wikibooks.org/wiki/Sociale_geschiedenis_van_de_vroege_Middeleeuwen/Kloosterleven; https://nl.wikibooks.org/wiki/Sociale_geschiedenis_van_de_late_Middeleeuwen/Ontspoorde_kloosters_en_kerk

(7) Milis, Ludo (1992): Hemelse monniken, aardse mensen, Ambo/Hadewijch, p. 80-89;
Nip, Renée (2001): ‘De gelofte van armoede en de plicht tot armenzorg’. In: Armoede in Nederland, Groniek, Universiteit Groningen, p. 285, 286
(8) Krüger, Kristina (2008): Kloosters en kloosterorden, uitg. Ulmann, p. 73

Afbeeldingen:

- Pagina uit manuscript (ca. 1496): Het leven van St. Radegundis (vrij van auteursrechten): https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Page_from_Life_of_St._Radegund,_illuminated_by_the_Master_of_St._Radegund,.jpg?uselang=nl

- Byzantijns mozaiek (5de eeuw): Kind met lege mand en ezel (vrij van auteursrechten): https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Great_Palace_Mosaic_Museum#/media/File:Byzantinischer_Mosaizist_des_5._Jahrhunderts_002.jpg


Het begin van de christelijke armenzorg (2): Olympia en andere vrouwen
Midden-Oosten, vierde eeuw

23 september 2017
























‘Je bent heel genereus en gastvrij,’ schreef Chrysostomus aan Olympia (1), ‘je doet haast te veel.’ En dat terwijl Chrysostomus constant de rijken op hun kop gaf dat ze teveel op hun centen zaten, dat blijkt wel uit het stukje hieronder over hem. Maar Olympia (ca. 365-408) was dan ook wel heel actief voor de zieken en armen. Nadat haar man overleed wees ze diverse huwelijksaanzoeken af, liet haar bedienden vrij, schonk een deel van haar bezit aan de armen (2) en werd diaken in Constantinopel. Daar richtte ze hospitalen en een weeshuis op en zorgde ze voor woestijnvaders en – moeders in nood.
Ze steunde Chrysostomus toen hij verbannen werd (in 404) en werd daardoor zelf ook verbannen uit de kerk en uit de stad. Ze schreven elkaar troostende brieven. Die van Chrysostomus zijn bewaard gebleven, die van Olympia helaas niet.

Olympia was één van de vele rijke Romeinse vrouwen die zich bekeerden tot het christendom. Het geven van aalmoezen was een christelijke plicht.
In het jodendom en in de Romeinse cultuur was liefdadigheid nog een individuele aangelegenheid, maar vooral na ongeveer 250 n.C. gebeurde dit in het christendom op een georganiseerder manier: de christelijke gemeenschappen waren in staat systematischer geld in te zamelen en liefdadigheid kon op grotere schaal worden beoefend (3). Vrouwen lieten zich daarbij bepaald niet onbetuigd (4).  

Zo richtte de patriciërsvrouw Fabiola ca. 350 n.C.  in Rome het eerste Europese ziekenhuis op, waar ondervoede armen, zieken en gebrekkigen gratis verzorging kregen. Andere vrouwen (zoals Melania de Oudere en Melania de Jongere) reisden naar Egypte en Palestina en richtten daar hospitalen en kloosters op.
Ook was het aantal woestijnmoeders die, zoals Syncletica (zie een vorig stukje), hun geld aan de armen gaven en voor vrijwillige armoede kozen, behoorlijk hoog. In de vierde eeuw leefden zo’n 2.975 vrouwen in de woestijn (5). Deze vrouwen konden heel fanatiek zijn in hun ascese, sommigen overtroefden de mannen in het afzien van alle luxe (6). Door het harde leven kregen ze een androgyn uiterlijk, wat ook handig was om zich te beschermen tegen kwaadwillenden. 

Waarom was voor die vrouwen het christendom zo aantrekkelijk? Het is een stukje geschiedenis aan de randen van de geschiedschrijving, en een speurtocht door verschillende bronnen leverde het volgende op.

De eerste redenen voor die aantrekkingskracht golden evenzeer voor de vrouwen als de mannen van de Romeinse elite. Het Nieuwe Testament was de eerste eeuwen alleen beschikbaar in het Grieks, wat alleen de elite kon lezen. Maar nog belangrijker was dat de stedelijke elite haar politieke invloed kwijt was door de inlijving van de vrije stadsstaten in het centrale bestuur van het Romeinse keizerrijk. Het christendom bood de kans om weer invloed uit te oefenen (7), want het schenken van geld aan armen, communes en kloosters leverde status en een interessant sociaal netwerk op (8).
Zo bloeide het christendom en breidde zich uit. Rond de vierde eeuw raakten Latijnse vertalingen, zowel van het Nieuwe Testament als van de verhalen over de kluizenaars in de woestijn, verspreid, en kwam het religieus toerisme op gang. Pelgrims uit heel Europa trokken naar het Midden-Oosten. Ze waren gefascineerd door het ascetische leven, vroegen kluizenaars om raad of genezing en bezochten de heilige sites. Het werd haast druk in de woestijn en in Palestina, wat op onderstaand schilderij uit de vijftiende eeuw grappig uitgebeeld is. Daarom werden er steeds meer kloosters gesticht, waar gastverblijven en hospitalen bij gebouwd werden (9).



Voor mannen en vrouwen bood het christendom sociale status, maar voor vrouwen had het nog sterker een emancipatoire functie. Of ze nu diaken, mecenas of kluizenaar werden: ze wonnen er respect mee, onafhankelijkheid, bewegingsvrijheid en invloed (10).
Binnen de kerk hadden de rijke, vaak goed opgeleide vrouwen een leidende rol (11), tenminste, totdat het patriarchale denken daar dominant werd. Ze onderwezen, gingen voor in gebed, doopten, namen deel aan theologische debatten en verzorgden zieken en hulpbehoevenden (12).
Ook het ascetische leven was voor veel vrouwen aantrekkelijk. Als kluizenaar of in de woestijncommunes konden ze, los van biologische banden, iets bijzonders betekenen (13). In die communes leefden christenen als broer of zus voor elkaar; bloedbanden hielden de ziel immers geketend aan dit aardse leven. Spiritueel moederschap, de liefde voor God en de liefde voor de naaste waren veel belangrijker, en dat waren twee liefdes die als de zijden van één medaille met elkaar samenvielen. Een leven in zo'n gemeenschap betekende voor vrouwen bevrijding van de banden van gezin en familie, geboortebeperking, intellectuele autonomie, een intens spiritueel leven, de mogelijkheid tot reizen en tot vriendschap met mannen (14).

Ik las (15) dat gezegd wordt dat het christendom zich verspreid heeft over de rug van zichzelf opofferende vrouwen. Dat zie ik niet zo. Dit lijken me eerder sterke vrouwen, die met hun charitatieve werk heel goed wisten wat ze deden en daar ook iets mee wonnen.

Afbeeldingen:
Olympia de diakones (waarschijnlijk Russisch icoon): https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Olimpiada_diakonissa.jpg
Fra Angelico (ca. 1410): De Thebaïden (De kluizenaars rond Thebe in Egypte). Uffizi Gallery, Florence: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Angelico,_tebaide_01.jpg

Noten:
1  Allen, Pauline en Mayer, Wendy: Preaching Poverty in late Antiquity, p. 99
2 Dart, Ron (2017): Review of  David Ford (trans.), "Chrysostom: Letters to Saint Olympia”
3. Whiting, Marlena (UvA, 2016): The Monastic Paradox: Negotiating Monastic Seclusion and Pilgrim Hospitality in the Late Antique Near East
4 Kroeger, Catharine: The Neglected History of Women in the Early Church: http://www.christianitytoday.com/history/issues/issue-17/neglected-history-of-women-in-early-church.html
5 Palladius (419/420): Historia Lausiaca
6 Allen, Pauline en Mayer, Wendy: Preaching Poverty in late Antiquity, p. 89

7 Krüger, Kristina (2008): Kloosters en kloosterorden, uitg. Ullmann, p. 13
8 Platte, Elisabeth L. (Universiteit Michigan, 2013): Monks and Matrons: The Economy of Charity in late Antique Mediterranean, p 62-67   
9 Whiting, Marlena (UvA, 2016): The Monastic Paradox: Negotiating Monastic Seclusion and Pilgrim Hospitality in the Late Antique Near East
10 Schüssler Fiorenza, E. (Universiteit Columbia, 1985): In Memory of Her, p. 83-90
11 Heijst, Annelies van (2014): Naastenliefde in Nederland. In: ‘Ik geef om jou! Naastenliefde door de eeuwen heen’, Museum Catharijneconvent, p. 13
12 Schüssler Fiorenza, E. (Universiteit Columbia, 1985): In Memory of Her, p. 55
13 Vinken, Barbara (2013): Family versus World: The German Faith. In: ‘Precarious Parenthood: Doing Family in Literature and Film’, red: Tina-Karen Pusse, Katharina Walter, Lit Verlag Berlin,  p. 12
14 Alexandre, Monique: 'Early Christian Women'. In: Duby, Georges en Perrot, Michelle: A History of Women in the West, vol. 1, p. 415
15 Schüssler Fiorenza, E. (Universiteit Columbia, 1985): In Memory of Her, p. 79,80



Het begin van de christelijke armenzorg: Johannes Chrysostomus
Turkije, vierde eeuw

28 augustus 2017
























Johannes Chrysostomus (345-407) heeft op dit muurschilderij een bijbel in zijn hand. Hij was één van de eerste christenen in het Romeinse Rijk die opkwamen voor de armen en een nieuwe, christelijke moraal inbracht.

In die tijd hadden mensen een blinde vlek voor armoede, arme mensen hoorden er niet bij. Met aalmoezen zou je die criminele bedelaars alleen maar belonen voor hun luiheid. Het principe van wederkerigheid stond hoog aangeschreven: giften waren voor mensen van eigen stand, want die konden tenminste iets terug doen. De rijken deelden af en toe wel graan uit, maar aan alle burgers, niet speciaal aan weduwen, werklozen, bedelaars, vluchtelingen, gevangenen, invaliden en zieken.
 
Chrysostomus bracht de armen voor het voetlicht. Hij had een opleiding gevolgd in de retorica (welsprekendheid) en hield als priester, en later als aartsbisschop, vele preken voor het volk, waarin hij aanspoorde tot liefdadigheid. Ook richtte hij een reeks ziekenhuizen op waarin de armen verpleegd en verzorgd konden worden.

In zijn preken schilderde hij rijkdom af als een obstakel voor het geloof. Hij citeerde Jezus, die zei dat het makkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te kruipen dan voor een rijke om de hemelpoort binnen te gaan. En leefde ook Hij niet in armoede? Fel verwierp hij mooie kleding, overvloedig versierde huizen, make-up en sieraden, en hij deed niet mee met de feestjes van zijn kerkelijke collega’s. Bij het gewone volk was Chrysostomus populair, maar rijke christenen namen zijn preken en gedrag niet in dank af. Tot twee keer tot werd hij verbannen uit de kerk en vluchtte hij naar de woestijn. Het harde leven daar was hij wel gewend, want hij had er, als één van de woestijnvaders, een aantal jaren vrijwillig geleefd. Maar de tweede keer van zijn verbanning, in 407, stierf hij al op de tocht erheen.

Een leven in armoede bracht volgens Chrysostomus veel deugden met zich mee, zoals geduld, dankbaarheid en nederigheid. Armoede was daarom beter, maar het ging hem uiteindelijk niet om armoede of rijkdom op zich, maar om de attitude die je daarbij hebt. In navolging van de Griekse Stoïci stelde hij de correctie van de ziel centraal. Je moest streven naar geestelijke rijkdom, en ook de rijken konden de deugden verwerven die daarvoor nodig zijn en die Plato en Aristoteles al aanprezen.

De rijken konden geestelijke rijkdom bereiken door liefdadigheid. Chrysostomus voerde de regels voor armenzorg van het jodendom opnieuw in. Die hielden in dat liefdadigheid anoniem moest gebeuren: de gever moest onbekend blijven. Ook mocht de gever geen onderscheid maken: of iemand gelovig was, of burger van de stad of het Romeinse Rijk was, deed er niet toe. En het geven moest zonder nader onderzoek te doen naar de situatie: het feit dat de arme iets vroeg, was voldoende reden om een aalmoes te geven. Zo behield die menselijke waardigheid. Hierbij haalde Chrysostomus bijbelteksten aan waarin staat dat geven aan de arme hetzelfde is als geven aan Christus. Niemand mocht daarom overgeslagen worden. En stel, voegde hij eraan toe, dat God ook in jouw leven zou gaan spitten, dan kwam je de hemel vast niet binnen.

Zo combineerde Chrysostomus de regels voor armenzorg uit het jodendom, de Griekse filosofie en het christendom, en maakte hij een nieuwe, christelijke moraal, die duizenden jaren geldingskracht zou hebben in onze Europese cultuur.

Bronnen:
  • Mayer, Wendy (2009): 'John Chrysostom on poverty'. In: Allen, Pauline; Neil, Bronwen; Mayer, Wendy: Preaching Poverty in Late Antiquity. Evangelische Verlaganstalt GmbH, Leipzig
 

Woestijnvaders en -moeders
Christendom in Egypte, Turkije en Syrië, 200-400 n.C.

27 juni 2017


















Christenen waren hun leven niet zeker in het Romeinse Rijk. Totdat er in 313 godsdienstvrijheid kwam hadden ze geen burgerrechten, werden ze gevangengezet en gemarteld en werden kerken verbrand. Velen vluchtten de woestijn in. Toch waren de vervolgingen niet altijd de voornaamste reden voor die vlucht, want ze beschouwden een leven in afzondering en ascese (vasten, seksuele onthouding, armoede) als dè manier om Christus na te volgen.

De woestijnvaders en –moeders, zoals deze kluizenaars worden genoemd, trokken door hun toewijding en wijsheid veel bewonderaars aan. Rondom hen ontstonden gemeenschappen. Het ‘bemin uw naaste als uzelf’ werd daar gepraktiseerd in de vorm van het helpen van zieken, gastvrijheid, vergevingsgezindheid en nederigheid. De gemeenschappen waren voorlopers van de christelijke kloosters, die vanaf ongeveer 325 werden opgericht.
Ongeveer duizend levensverhalen en uitspraken van woestijnvaders en –moeders zijn in de vierde eeuw opgeschreven (in de Apoftegmata Patrum, vertaald als Sayings of the Desert Fathers) en daardoor weten we aardig veel over hen. Hieronder kort iets over twee markante figuren.

Op het schilderij boven, gemaakt in de elfde eeuw, staat Syncletica van Alexandrië (270-350). Syncletica was al jong een overtuigd christen en gaf na de dood van haar rijke ouders alles wat ze had geërfd weg aan de armen. Ze nam haar blinde jongere zus mee voor een ascetisch leven in de grafkelders buiten Alexandrië. Mettertijd kwamen er andere vrouwen bij, zodat een gemeenschap ontstond, met Syncletica als spiritueel leider.

Syncletica was een bescheiden mens, ze trad niet graag op de voorgrond. Nederigheid was volgens haar onontbeerlijk in de weg die een gelovige moest gaan; net zo nodig, zei ze, als de spijkers bij het bouwen van een schip. Vasten en kuisheid waren minder belangrijk, want daarbij kon je trots worden op jezelf: ‘Zoals een schat zijn waarde verliest als hij wordt tentoongesteld, zo verdwijnt de deugd als hij erkend wordt; zoals was smelt als het bij het vuur ligt, zo wordt de ziel vernietigd door haar te prijzen.'

Een tijdgenoot van Syncletica was Antonius van Egypte (251-356), wiens levensverhaal uitgebreid is opgeschreven en hij, daardoor bekender geworden, vaak de vader van de kluizenaars en van het kloosterleven wordt genoemd. Net als Syncletica gaf Antonius na het overlijden van zijn rijke ouders alle bezit aan de armen. Zijn zus gaf hij wat geld om naar een convent voor vrouwen te gaan (er bestonden in die tijd allerlei religieuze gemeenschappen, in de eerste eeuw al de Therapeutae, over hen schreef ik hieronder al, op 29 oktober 2016).

Diep in de woestijn kreeg Antonius allerlei visioenen van demonen en verleidelijke naakte vrouwen, waarmee God hem, zo dacht hij, op de proef stelde. Door strikte ascese probeerde hij zijn zondige ik uit te roeien. Ook schijnt hij, puur door zijn geloof, zieken te hebben genezen. Een overgeleverde uitspraak van hem is: 'Hoe we ons gedragen tegen onze naaste is een kwestie van dood of leven; want als we goed doen, doen we goed voor God, maar als we onze naaste kwaad doen, zondigen we tegen Christus.'

Aangetrokken door zijn reputatie voegden andere kluizenaars zich bij hem en in 356 werd op zijn graf het klooster van St. Antonius gebouwd, wat nu nog bestaat als Koptisch-Orthodox klooster. Een volgeling van Antonius, Pachomius, richtte verschillende kloosters op en voerde, als oud-soldaat van het Romeinse leger, een hiërarchie en leefregels in. Pachomius wordt daardoor gezien als grondlegger van het georganiseerde kloosterleven.
Later, in de Middeleeuwen, zou dat kloosterleven een grote rol gaan spelen in de armenzorg.

Bronnen
  • Diverse internetbronnen, vooral Wikipedia


Alles in dienst van God
Islam (600. n.C.- heden)

21 mei 2017












De Koran, waarvan je hier een opengeslagen exemplaar ziet, is voor moslims de goddelijke openbaring, gegeven aan de profeet Mohammed begin 7de eeuw n.C. Zijn volgelingen schreven de openbaring op, waarbij ze prachtige kalligrafie gebruikten en het boek versierden met bloemarabesken en allerlei geometrische, kleurrijke patronen.

De patronen, arabesken, kleuren en kalligrafie vind je in alle islamitische kunst terug. Die is abstract, er zijn nauwelijks figuratieve werken. Het gaat nooit om de persoonlijke waarneming van de kunstenaar of om een persoonlijk perspectief op de wereld. Dat komt doordat bij moslims de kunst in dienst van God staat, die alle aardse begrip te boven gaat en die de wereld heeft geschapen, waardoor alles wat bestaat, alle diversiteit, verband heeft met elkaar. De abstracte kunst getuigt van die eenheid en orde in het universum.

Niet alleen de kunst, alles in het leven van een moslim is gewijd aan God. Er gelden allerlei praktische leefregels, gebaseerd op de vijf pijlers van de islam: belijdenis, gebed, sociale zorg, vasten, en de pelgrimage naar Mekka. Elke pijler is noodzakelijk, als er eentje ontbreekt in je leven is je geloof onvolmaakt.

De derde pijler, sociale zorg (zakat), is dan ook een verplichting. Iedere moslim met voldoende bestaansmiddelen moet een deel van zijn inkomen of bezit weggeven aan armen, vluchtelingen, rampenhulp en aan bouw en beheer van scholen en moskeeën. Doel van de zakat is een gelijkere verdeling van de welvaart en het bevorderen van solidariteit.

Daarbij zijn twee dingen belangrijk, die waarschijnlijk overgenomen zijn uit het jodendom. Ten eerste het behoud van de waardigheid van de ontvanger: die heeft recht op wat gegeven wordt, hoeft zich niet te verantwoorden of te schamen. Daarnaast is de discretie van de gever een vereiste. Als iemand opschept over zijn goede daden worden die daardoor teniet gedaan. Het gaat om het zuiveren, het heiligen van wat je aan bezit hebt verworven: dat hoort aan God toe, niet aan jou, en als je geeft in dat besef, belooft de Koran dat je na dit leven beloond wordt.

Zakat, de materiële sociale zorg, is een vorm van het bredere sadaka, vrijgevigheid. Sadaka wordt in de Koran verbonden met morele excellentie. Iedere gelovige moet naar betrouwbaarheid en rechtvaardigheid streven en zo zelf Gods genade verdienen; er is in de islam geen goddelijke redder, zoals in het christendom. Sadaka kan simpelweg een glimlach zijn of en een vriendelijk woord, maar nog beter is het om iemand vooruit te helpen in het leven, zoals met zakat. De hoogste vorm van sadaka is het overdragen van kennis.

Dat hier voornamelijk religieuze kennis mee bedoeld wordt is duidelijk, maar of overdracht van andere kennis ook in dienst van God kan staan, daar zijn niet alle moslims het altijd over eens geweest. Van de 9de tot ongeveer de 12de eeuw stond de wetenschap bij hen nog in hoog aanzien. Er was een islamitisch gouden tijdperk in het Arabische Rijk, wat in die tijd grote gebieden in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje bestreek. Wetenschap, filosofie en kunst maakten daar een enorme bloei door. Islamitische geleerden als Al-Razi, Avicenna en Averroës schreven invloedrijke werken over geneeskunde, astronomie, wiskunde, jurisprudentie en filosofie. Ze hadden grote belangstelling voor de Griekse filosofie, en dankzij de vertalingen van Averroës zijn de werken van Aristoteles, o.a. die over psychologie, vanuit Spanje in Europa bekend geworden.

Het gouden tijdperk liep af, en vanaf ongeveer 1200 werd in de islamitische wereld de visie van de filosoof Al-Ghazali gemeengoed: wetenschappelijke kennis was verspilling van het intellect, dat mocht alleen worden gebruikt voor het doorgronden van de wetten en leefregels van de Koran. Maar inmiddels hadden islamitische wetenschappers een grote bijdrage geleverd aan de empirische wetenschap, die kennis verwerft vanuit de waarneming en de praktijk.

Bronnen:
-Afbeelding: Opengeslagen Arabische Koran. Deze foto is vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Koran.png
-Ajouaou, Mohammed (2010), ‘Zakat en sadaka, meer dan een aalmoes. Over de structuur en de ethische grondslagen van de islamitische armenzorg’. In: Senger, Erik en Koet, Bart: Zorg voor de naaste in jodendom, christendom en islam, Eburon Delft
-Auteur onbekend, Koran en Kunst. http://www.abdulwahid.nl/koran--kunst.html


Helpen bij herstel
Jodendom (2000 v.C.- heden)

23 april 2017
























Het zal een schok geweest zijn voor Mozes. Net had hij, bovenop de berg, een ware openbaring meegemaakt: hij had van God tien geboden, gebeiteld in platte stukken rots, gekregen. Nu zou iedereen weten hoe ze God en medemensen moesten liefhebben. Maar toen hij met de twee tafelen de berg afkwam zag hij waar het volk Israël ondertussen mee bezig was: met het vereren van een zelfgemaakte god, een gouden kalf. Hij werd zo boos dat hij de tafelen kapot smeet. Als ze dan geen boodschap hadden aan God, zochten ze het zelf maar uit.

Maar zo makkelijk kwamen ze er allemaal niet vanaf. Het was menens. Het volk Israël was uitverkoren om alles wat verkeerd was gegaan in de wereld te herstellen. Mozes moest de tien geboden opnieuw opschrijven en sindsdien waren ze leidraad voor het volk Israël. Nou ja, leidraad, het waren eerder heilige plichten. Als ze die niet naleefden, zwaaide er wat; als ze ze wel naleefden, konden ze op beloning rekenen. En naarmate de tijd vorderde werden, zoals dat gaat, de geboden aangescherpt met allerlei leefregels, te vinden in het Oude Testament.

Die leefregels zijn nog steeds heel inspirerend. Er waren onder andere regels om recht te doen aan de armen en regels voor troost aan treurenden. Ze getuigen van sociaal en psychologisch inzicht, want ze namen schaamte weg en ze hielpen iemand die een groot verlies had geleden om zich minder geïsoleerd en vervreemd te voelen.    

Bij de regels tegen armoede was het belangrijk te beseffen dat het niet iemands eigen schuld was dat hij of zij arm was. Armoede moest van God gewoon de wereld uit. Bemiddelde boeren hadden de plicht de armen geld uit te lenen zonder rente te vragen, en om de zeven jaar alle schulden kwijt te schelden. Bij andere regels was er expres geen persoonlijke relatie tussen gever en ontvanger, zodat de armen hun waardigheid behielden: als de boeren bij het oogsten een schoof op de akker vergaten of als er vruchten op de grond vielen moesten ze die daar laten. Een hoek van de akker moest onafgemaaid blijven en elk derde jaar moest een tiende van het gewas onbeheerd worden achtergelaten, zodat armen of vreemdelingen het stilletjes konden komen weghalen. 
 
Ook voor het troosten van nabestaanden waren er heel mooie regels. Het rouwproces werd getriggerd door het maken van een grote scheur in de kleding, want een klein verdriet maakt het grotere los. Dan volgde de rouwweek, waarin vrienden en kennissen alle dagelijkse taken overnamen, zodat de rouwende zich daar niet over hoefde te bekommeren. Bezoekers hoefden geen mooie woorden te zeggen en mochten niet praten over eigen problemen en ziekten, ze reageerden alleen op wat de rouwende vertelde, als die tenminste zin in had om te praten. Na de rouwweek zong iedereen in de synagoge dagelijks het kaddiesj, het gebed voor de doden. Gedurende een jaar kocht de rouwende geen nieuwe kleren en ging niet naar feesten, maar in dat jaar kreeg hij of zij steeds meer taken om toch weer deel te nemen aan de gemeenschap.

Het jodendom was - en is nog - een godsdienst van de praktijk en de joodse leefregels worden de historische basis van ons huidige sociaal werk genoemd. Via het christendom is de waarde van het bijstaan van mensen in armoede of verdriet onderdeel geworden van onze westerse cultuur. Toch valt er voor ons nog wel wat te leren van de oude concrete leefregels. Alleen al door de urgentie ervan: herstel van de wereld is noodzakelijk, op deze manier, vandaag, door jou. Armoede, gebrek en droefenis moeten de wereld uit geholpen. Hier en nu.

Bronnen:
- Iterson, A. van (1911). Armenzorg bij de joden in Palestina. Proefschrift Leiden
- Evers, Dayan (2016). De dood maakt deel uit van het leven. http://www.jodendom-online.nl/articles.php?view=article&id=1185
- Afbeelding: Rembrandt (1606-1669): Mozes smijt met de tafelen der wet. Vrij van auteursrechten:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Rembrandt_Harmensz._van_Rijn_079.jpg



De stilte van de ziel. Oefeningen om wijs te worden
Griekse en Romeinse cultuur, 5de eeuw v. C.- 4de eeuw n. C.

29 maart 2017

Hoe kun je alle pech, ongeluk en ziekte in je leven met opgeheven hoofd doorstaan en ook nog nuttig zijn voor anderen? Levenskunst was een centraal thema in de Griekse en Romeinse cultuur. Filosofen als Plato, Philo, Epictetus, Seneca, Plutarchus en Plotinus schreven en spraken erover.

Levenskunst verwierf je door het ontwikkelen van de deugden die Plato had geformuleerd: wijsheid, moed, integriteit en zelfbeheersing. Bij die ontwikkeling waren volgens bovengenoemde latere filosofen lezen, schrijven, luisteren en veel oefenen cruciaal.
Lezen moest je niet teveel doen en niet kriskras. Je koos een paar boeken uit, en daaruit een aantal passages die voor jou belangrijk waren. Daarover mediteerde je: je deed een gedachte-experiment, stelde je voor hoe het zou zijn als de waarheid die erin stond voor jou gold. Het lezen wisselde je af met schrijven in een persoonlijk logboek. Daarin verwerkte je wat je las, je gaf het voor jezelf vorm en zo hield je het vast. Je kon je logboek herlezen en erover praten met anderen. Vervolgens ging je wat je geleerd had toepassen, je trainde daarmee jezelf in een deugd.

Geïnspireerd door de Pythagoreërs bedachten de filosofen mooie regels voor goed luisteren. De eerste regel was stilte. Bij het horen van een gedicht, een filosofische les of lezing moest je jezelf omgeven met een aura van stilte, ‘een kroon van stilte opzetten’ (zoals Foucault het poëtisch verwoordde).
De tweede regel was de onbeweeglijkheid van het lichaam. Je lichaamshouding moest een uiting zijn van de stilte van de ziel, die stilte als het ware verzegelen. Je stoorde of onderbrak de spreker niet, al mocht je wel kleine signalen geven van extra oplettendheid of van verwardheid. Met je lichaamshouding communiceerde je je aandacht, je commitment met de spreker.
De derde regel was actief luisteren. Je zocht naar de kern van het betoog en naar de betekenis daarvan voor je eigen leven.
De vierde was dat je na het betoog de woorden liet bezinken. Je deed een snelle inspectie bij jezelf wat daarvan een verrijking voor je was. Plutarchus maakte een grappige vergelijking: ‘Zoals iedereen na een bezoek aan de kapper even een discrete blik in de spiegel werpt om te kijken hoe zijn nieuwe ik eruit ziet.’

Mij persoonlijk treft in dit alles de aandacht, de ernst, de inzet. En het verschil met onze focus op vrije meningsuiting. ‘Het oor van de kletskous is verbonden met zijn tong, niet met zijn ziel’, schreef Plutarchus. Deze filosofen drukken ons op het hart dat luisteren en leren geen zelfopoffering is, maar zelfverrijking. Het is de manier om een beter mens te worden.

Bronnen:
Foucault, Michel (1982. The Hermeneutics of the Subject, lectures 1981-1982. Ed. Frédéric Gros, Palgrave Macmillan, 2005, pp 331-370
Afbeelding: Jonge vrouw met wastablet en pen, fresco uit Pompeï, ongeveer 50 n.C. Foto is vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File%3AHerkulaneischer_Meister_002b.jpg


Socrates: Wat goed en juist is leer je niet van het volk
5de eeuw v. C.

24 februari 2017












De filosoof Socrates kon mensen af en toe behoorlijk in verlegenheid brengen. Dat gebeurde ook bij Alcibiades, een aanstaand politicus. Alcibiades is daarom op het schilderij hierboven afgebeeld met gebogen hoofd, vol schaamte.

Het gesprek ging zo:

Socrates: Hallo Alcibiades! Zo te zien gaat het wel goed met je. Een kruik wijn, een mooie vrouw, een lekker zacht berehuidje op de vloer. Zo zo, en jij wilt dus de politiek in.
Alcibiades: Jazeker.
S: Dan weet je dus wat goed en rechtvaardig is? Een goed staatsman moet immers weloverwogen besluiten kunnen nemen.
A: Nou en of. Dat ben ik ook van plan.
S: Heeft iemand je uitgelegd hoe je goed van kwaad kunt onderscheiden?
A: Nee, dat ging vanzelf. Als kind wist ik al wie vals speelde en wanneer ik onrechtvaardig werd behandeld. Ik leerde het van mensen in het algemeen, van ons volk. Zo leer je toch ook de taal?
S: Dat heb je leuk bedacht, Alcibiades! Ja, bij taal zijn ‘de mensen in het algemeen’ het wel met elkaar eens. Je kunt een steen aanwijzen, zeggen "dit is een steen”, en niemand zal dat bestrijden. Maar over recht en onrecht vechten mensen elkaar de tent uit. Hoe kun je dat dan leren van het volk?
A: Oei, je hebt me, ouwe Socrates.
S: Moet jij staatsman worden? Je wilt voor anderen zorgen en leiding geven, maar je hebt je eigen gedachten niet eens onderzocht.   
A: Ach, ik hoef toch alleen maar te doen wat het voordeligste is voor Athene.   
S: En wat is het verschil tussen goed en voordelig?
A: Voordelig is goed. Verrek, nou zijn we weer terug bij jouw vraag wat goed is. Je hebt gelijk, ik weet misschien nog niet zo veel.

Alcibiades schaamde zich waarschijnlijk niet zo diep als op het schilderij, maar hij gaf toe dat hij iets niet wist, en dat was volgens Socrates de eerste stap naar wijsheid.


Bronnen:
- Afbeelding: Henryk Siemiradzki (1873). Socrates praat met zijn vriend Alcibiades. Vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Henryk_Siemiradzki_002.jpg
- Koolschijn, Gerard (1979). Plato, schrijver. Ooievaar, Amsterdam. Het gesprek tussen Socrates en Alcibiades, vertaald door Koolschijn op pp. 32-36, is hierboven door mij (LS) vrij weergegeven, maar volledig in overeenstemming met de inhoud.

Hindoeïsme; geweldloosheid en mededogen
Vanaf 3000 v. C.

20 januari 2017



















Op dit reliëf uit een hindoeïstische tempel zit Shiva, de god van het welzijn, ontspannen op zijn troon. Lachend vertrapt hij de dwerg van onwetendheid. Met zijn muziekinstrument geeft hij het ritme van het universum aan: dag en nacht, zomer en winter, geboorte, dood en wedergeboorte. De wereld krijgt haar welzijn niet cadeau; Shiva is een god van tegenstellingen, die voortdurend alles vernietigt en vernieuwt.

Hindoes weten dat deze wereld geen plaats is voor geluk. Het is een strijdtoneel tussen goed en kwaad. We zitten gevangen in de samsara, het levenswiel (op bovenstaand reliëf de cirkel achter Shiva). Ieders ziel keert na de dood telkens weer terug in een ander lichaam, als mens, dier of plant. Als de ziel in een mens reïncarneert is dat een belangrijke gebeurtenis, want mensen hebben verantwoordelijkheid: ze kunnen karma verminderen. Alle slechte daden tijdens vorige levens zitten opgebouwd in het karma en veroorzaken steeds meer lijden. Door geweldloos en vol mededogen te leven -een strijd met je eigen verlangens- wordt het een beetje uitgedoofd. Je hebt dan kans dat je ziel op den duur uit de samsara wordt bevrijd en niet weer aan een leven vol lijden moet beginnen.

Het uitdoven van karma is een reden om eerbied te hebben voor alles wat leeft. Een andere reden is de universele ziel. Alle individuele zielen zijn één met die ziel en met elkaar verbonden. Daarom is geweldloosheid, ahimsa, voor de hindoes een heilige plicht. Het betekent dat je geen fysiek en geen psychisch geweld gebruikt: levende wezens geen pijn doet of misbruikt, ook dieren en planten niet. Dat je zachtmoedig bent, vol mededogen en geen vooroordelen of negatieve gedachten hebt over anderen. In de Mahabharata wordt het zo verwoord: Dit is het summum van plicht: doe nooit aan anderen wat je niet zou willen dat zij jou aandoen. De gulden regel, zoals wij die ook kennen: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet.

Het hindoeïsme ontstond ongeveer 3000 v. C. en is de oudste wereldreligie. De wereldreligies leverden de fundering en de idealen voor het latere sociaal werk, en het hindoeïsme gaf met haar leer van verbondenheid, verantwoordelijkheid en ahimsa als eerste een antwoord op de vraag waarom we eigenlijk sociaal zouden willen zijn. Verder in de geschiedenis kunnen we niet terug.

Bronnen:
- Afbeelding: De god Shiva in de Madurai Meenakshi tempel, India. Vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:MaduraiTempleLordShiva.JPG
- Colleges Indiase filosofie, gegeven door prof.dr. G. Chemparathy aan de RUU


Epictetus: van slaaf tot zelfbeschikking
Eerste eeuw n.C.

28 november 2016



















Op een Romeinse slavenmarkt ging het er heftig aan toe, nog erger dan afgebeeld op dit schilderij. Slaven werden naakt tentoongesteld, geknepen en betast, want kopers wilden weten wat voor vlees ze in de kuip hadden.

Op zo’n markt werd de filosoof Epictetus (50-130 n.C.) verkocht, waarna hij aan het hof van keizer Nero belandde. Slaven waren in die tijd arbeider, verzorgingsslaaf of seksslaaf, maar als ze konden lezen en schrijven ook wel onderwijzer of secretaris. Waarschijnlijk was dat bij Epictetus het geval, want bekend is dat hij filosofische lessen mocht volgen. Op een gegeven moment werd hij zelfs vrijgelaten.

Toen richtte Epictetus, enthousiast geworden over het stoïcisme, in Griekenland een filosofische school op. Studenten konden daar reflecteren op hun gevoelens, gedachten en daden en zo hun vermogen tot zelfbeschikking ontwikkelen. Verschillende technieken werden toegepast: het denkproces vertragen, zodat met docent en medestudenten iedere stap daarin bekeken kon worden. Slechte gewoontes werden bestreden met het oefenen van tegengesteld gedrag, en voor het slapen gaan liep iedere student de hele dag door om te beslissen of gedachten, gevoelens en reacties juist waren geweest.

Volgens Epictetus moeten we zorgvuldig omgaan met omstandigheden, met ons lichaam, bezit, status en onze medemensen. In de omgang met anderen staan daarom bescheidenheid en liefde voorop. Bescheidenheid houdt het besef in dat iedereen een eigen perspectief heeft, en de bereidheid om eigen gedrag te corrigeren. Liefde betekent het zich inzetten voor wat in het belang van anderen is. 

Epictetus gaf van dat laatste een mooi voorbeeld. We kunnen boos zijn op Medea, de vrouw uit de Griekse mythe die uit wraak haar kinderen doodde. Want wat een slecht gedrag van Medea! We kunnen ook medelijden met haar hebben. Want wat moet ze geleden hebben om tot zo’n vreselijke daad te komen. Maar bij die reacties laten we onze gevoelens beïnvloeden door de hare, en daar heeft ze niks aan. We kunnen haar beter helpen inzien dat ze zich vergist, dat het doden van haar kinderen geen goede keus was, ook voor haarzelf niet.

De adviezen en technieken van Epictetus komen vast heel bekend voor: het bewaren van emotionele afstand, het reflecteren, het centraal stellen van het vermogen tot zelfbeschikking. De contouren van het veel latere sociaal werk doemen in de eerste eeuw van onze jaartelling al op.  


Bronnen:
- Afbeelding: Boulanger, Gustav. De slavenmarkt (1886). Foto vrij van auteursrechten:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Boulanger_Gustave_Clarence_Rudolphe_The_Slave_Market.jpg

- Stanford Encyclopedia of Philosophy: Graver, Margaret (2013). Epictetus: http://plato.stanford.edu/entries/epictetus/



De Therapeutae: een kliniek voor de ziel
Eerste eeuw n.C.

29 oktober 2016















De vrouw op dit fresco bidt met haar armen uitgespreid en de handen naar de hemel. Vol overgave. Op dezelfde manier baden de Therapeutae, een groep joden die rond de eerste eeuw na Christus een ware kliniek voor de ziel oprichtte. We weten over hen dankzij de filosoof Philo van Alexandrië. Hij schreef:

‘Ze worden Therapeutae en Therapeutrides genoemd (mannen en vrouwen, van therapeuoµ, genezen, helen), omdat ze een geneeskunst beoefenen die excellenter is dan die in de steden, want die geneest alleen lichamen, maar zij genezen zielen, die beheerst worden door vreselijke en haast ongeneeslijke ziekten. Oorzaak van die ziekten zijn genot en verlangens, angsten en smarten, hebzucht, dwaasheden, onrechtvaardigheid, en al die andere ontelbare passies en ondeugden.’   

Die doodzieke zielen vereisten een genezingsproces waaraan mensen zich helemaal moesten overgeven. De Therapeutae schiepen daarvoor de meest gunstige leefomstandigheden.
Zo hadden ze gekozen voor een gebied met een mild klimaat, net buiten de drukke stad Alexandrië, waar ze konden leven van water uit de bron, brood en het fruit van de bomen. Wie er kwam wonen liet alle bezit achter voor familie of vrienden. Ieder lid woonde in een tweekamerhutje en bracht daar veel tijd door om te lezen, te bidden en te mediteren, maar regelmatig kwamen ze ook samen om te zingen en te dansen. Iedereen was gelijkwaardig en de vrouwen deden hetzelfde als de mannen, wat heel bijzonder was in die tijd.

Voor deze serie Verleden in Beeld was ik op zoek naar de wortels van het sociaal werk. Historici schrijven dat die wortels liggen in liefdadigheid, een oude plicht in religies. Maar een andere belangrijke eigenschap van sociaal werk is het toepassen van methodiek, het systematisch verbeteren van leefomstandigheden en geestelijke gezondheid. Toen ik las over de Therapeutae leken me de wortels van methodiek ook duizenden jaren terug te liggen.


Bronnen:
- Foto: Biddende vrouw, fresco in de catacombe van Calixtus in Rome, 4de eeuw n.C. Deze foto is vrij van auteursrechten. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ancient_praying.jpg#/media/File:Ancient_praying.jpg
- Philo van Alexandrië (1ste eeuw n.C.). On the Contemplative Life , p. 3, 4
- Foucault, Michel (1982). The Hermeneutics of the Subject, lectures 1981-1982. Ed. Frédéric Gros, Palgrave Macmillan, 2005, p 116-119


Zuster Bertken: sociaal werkster avant la lettre
15de eeuw

19 september 2016



Onder een lantaarn op de Maartensbrug in Utrecht vind je deze afbeelding van kluizenares zuster Bertken (1427-1514). Toen ze 30 jaar oud was liet ze zich inkluizen in een cel in de Buurkerk. De metselaar legt de laatste steen terwijl zuster Bertken een boek leest; daarmee heeft beeldhouwer Kees Groeneveld laten zien dat ze wel wat anders te doen had dan zich druk te maken over aardse zaken.

Zuster Bertken bleef 57 lang, tot haar dood, in de cel. Met haar lange inkluizing dwong zuster Bertken diep respect af bij de Utrechtse bevolking. Elke middag, van drie tot zes, mochten mensen met haar praten door het straatvenster. Er stonden vaak lange rijen: niet alleen het gewone volk, maar ook de adel en hoge geestelijken kwamen bij haar om te biechten en om raad te vragen. Welke problemen de mensen haar voorlegden weten we niet, maar het zullen niet alleen geloofsperikelen zijn geweest, maar ook ziekte, armoede en ander ongeluk. Zuster Bertken was een sociaal werkster avant la lettre, dat kunnen we denk ik wel zeggen.

Hoe is iemand vanuit een totaal isolement in staat om goed te luisteren en wijze raad te geven? Uit de gedichten die zuster Bertken heeft geschreven kunnen we drie dingen opmaken: ze besefte haar eigen fouten, wilde het leed van anderen verzachten en oefende haar empathisch vermogen.

Het besef van haar eigen fouten maakte zuster Bertken nederig, ze oordeelde niet en voelde zich niet superieur bij de gebreken van anderen. We kijken misschien wel op van wat ze als misstappen beschreef: ‘Ik heb mijn hoofd, mijn lichaam, mijn leden vaak versierd, naar de wereld en mijn eigen behagen gezocht, me ijdel en dwaas daarin verheugd.’

Zuster Bertken was, evenals de meeste andere kluizenaars, vrouw en van goede komaf. Haar bezit en haar status had ze opgegeven om Christus na te volgen, en Christus had alles overgehad voor zijn medemensen. In de woorden van zuster Bertken: ‘O lieve Heer Jezus, onze zaligmaker, die alle bedrukte, zieke, belaste mensen die uw hulp hebben ingeroepen getroost, geholpen heeft, en niemand genade heeft geweigerd.’ Naar dat voorbeeld zette ze haar eigen behoeftes opzij om anderen te helpen.

Door iedere dag te mediteren over wat ze las in de bijbel en in andere stichtelijke boeken, oefende ze haar verbeeldingskracht. Ze stelde zich voor dat Maria bij de geboorte van Christus omringd was door engelen en liet alle stadia van  het lijdensverhaal van Christus uitgebreid de revue passeren. Als christen mocht je in die tijd je fantasie de vrije loop laten, als het maar niet in strijd was met wat er in de bijbel stond. De fantasieën waren een serieuze inspanning, niet zomaar wat dagdromerij, je moest je eigen zorgen van dat moment loslaten en je helemaal focussen op hoe iets gebeurd kon zijn; een uitstekende training voor het empathisch vermogen.

Besef van eigen fouten, het leed van anderen willen verzachten en empathisch vermogen; eeuwen later bleken het cruciale eigenschappen van sociaal werkers.

Bronnen:
- Foto: Liesbeth Simpelaar. Lantaarnconsole onder de Utrechtse Maartensbrug, gemaakt door beeldhouwer Kees Groeneveld. De foto is vrij van auteursrechten.
- Kloek, Els (red.) (2013). 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Nijmegen: Van Tilt. Marie Kamphuis Archief, nr 1.5
- Graft, C.C. van der (red.) (1955). Suster Bertken van Utrecht, Een boecxken gemaket ende bescreven van suster Bertken die LVII iaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in die buerkercke. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink (bovenstaande vertalingen: Liesbeth Simpelaar)


De tijd vastleggen

7 juli 2016



















Nooit heb ik kinderen zo ijverig en intens zien eten als op deze foto. Het meisje links heeft haar hand daarbij beschermend op haar springtouw gelegd; niemand kan het zomaar weggrissen.

Hij is genomen in 1945, tijdens de hongerwinter, aan de Rozengracht in Amsterdam. De kinderen zitten aan lange houten tafels met zelf meegebrachte schalen en pannen. Waarschijnlijk is het een gaarkeuken, waar, volgens een ooggetuige, ‘een halve liter gekleurd water’ werd geserveerd. Vooral in de grote steden waren de meeste mensen zwaar ondervoed en aten zelfs soep van aardappelschillen en tulpenbollen.

Cas Oorthuys, de fotograaf, was in 1944 vrijgelaten uit Kamp Amersfoort en sloot zich aan bij een groep samenwerkende verzetsfotografen, die na de Tweede Wereldoorlog De Ondergedoken Camera genoemd zou worden.
Deze fotografen documenteerden het dagelijks leven tussen 1940 en 1945. Vanaf 1944 was het verboden om buiten te fotograferen en de fotografen bedachten allerlei trucs: ze maakten foto’s van achter een gordijn of verborgen de camera in hun jas of in een tas, met gaatjes voor de lens. Daardoor hebben we niet alleen een beeld van het drukken van illegale bladen, soep in de hongerwinter en het leven van onderduikers, maar ook van razzia’s, de afsluiting van de Amsterdamse jodenbuurt en het stelen van alles wat los en vast zat.

Dat stelen, zo blijkt uit hun foto’s, werd niet alleen door Duitsers gedaan. Als je bijna doodgaat van honger en kou valt een heleboel moraal weg. Want iedere hap die je iemand anders ziet nemen komt niet in jouw mond, ieder stukje hout dat iemand anders te pakken krijgt komt niet in jouw kachel. Je karige eigen eten wordt goud waard, je springtouw een luxe schat. Het zal grote gevolgen hebben gehad voor de onderlinge verstandhoudingen, privé en op straat.

Stiekem foto’s maken van zoveel ellende, dat hoeft nu gelukkig niet meer. Maar iedere tijd en ieder leven kent zijn eigen pijn en geluk. Door dat vast te leggen maken we geschiedenis.


Bronnen
- De foto van Cas Oorthuys is in bezit van het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam en is o.a. gepubliceerd in: Rob Neij en Ernest Hueting: De opbouw van een sociaal-agogische beroepsopleiding 1899-1989, de Walburg Pers (1989), p. 64 (Marie Kamphuis Archief, inventarisnr 1.1.2).
- Citaat ooggetuige gaarkeukens: http://www.npogeschiedenis.nl/nieuws/2015/januari/Hongerwinter-Boek-1.html
- Over De ondergedoken Camera: Wim Ellenbroek (1995): Foto’s vanachter het gordijn, uit de fietstas, of vanonder de regenjas: http://www.volkskrant.nl/archief/foto-s-vanachter-het-gordijn-uit-de-fietstas-of-vanonder-de-regenjas~a405307/
- Over Cas Oorthuys: https://nl.wikipedia.org/wiki/Cas_Oorthuys


In het reine komen

30 juni 2016



















Dit zijn twee studenten van de ASCA (nu Social Work aan de Hanzehogeschool Groningen) ergens tussen 1985 en 1990. Waarschijnlijk hebben ze pauze. De student links is een appel aan het eten, en zegt iets. De student rechts kijkt ernstig voor zich uit, hij lijkt ergens mee te zitten. Of dat zo is, en wat hem dan dwars zit weten we natuurlijk niet.

Wat we wel weten, is dat het volgen van een opleiding tot sociaal werker geen sinecure is. Vooral tijdens de stages kun je jezelf behoorlijk tegenkomen. Over een van die stagemoeilijkheden schreef Wim van der Sluis, die de foto heeft ingestuurd. Hij was methodiekdocent en supervisor aan de ASCA en begeleidde stagiaires, onder andere bij het medisch maatschappelijk werk. Vooral daar merkte hij dat studenten het soms moeilijk hadden met hun eigen inbreng naast de veel grotere ervaring van anderen (dokters, verpleegkundigen) in het team. Vanuit Habermas’ filosofie over communicatie ontwikkelde hij een visie over de waarde van de gedachten, gevoelens en meningen van ieder individu, en hielp daarmee zijn studenten enorm. Daarover schreef ik op 15 maart 2016 een stukje in deze rubriek Uitgelicht, en Van der Sluis reageerde met de volgende aanvulling:

‘Het denken van Habermas ten gunste van teamwork vormde de opmaat voor veel stagiaires om zich gerechtigd te voelen eigen feiten en bevindingen uit te spreken in een professioneel bemand en bevrouwd team.
Het was dus net iets meer dan "oefenen met assertiviteit", want dat doet nog een beetje psychologisch/ therapeutisch aan. Dat is niet slecht, maar het gaat met name om het nadenken over  het idee dat ieder mens zijn  -hopelijk wel doordachte- meningen mag uiten op basis van zijn of haar unieke persoonlijkheid, die altijd en onvermijdelijk meeklinkt in het geven van informatie en oordelen over anderen.
Dus de stagiaire die contact heeft met cliënten of patiënten, heeft altijd wat te melden in het
team en hij of zij moet dat ook doen! Dus: in het reine komen met die geldigheid van spreken, ook al ben je nog groen en onervaren - en dat in de directe omgeving van ervaren professionals met (ook) veel verantwoordelijkheid. Dat is toch filosofie op de werkvloer?’

In het reine komen met de geldigheid van spreken. Ik vind dat mooi. Het gaat nu eens niet over het assertieve gevecht om je gelijk te halen en je niet op je kop te laten zitten. Het gaat over het besef dat jouw kijk op de werkelijkheid, al is die tastend en groeiend, waardevol is. Je persoonlijke ervaringen, gevoelens, gedachten en de reflectie daarop, dat alles vormt een unieke schatkamer, die je elke dag aanvult.

Bron:
Sluis, Wim van der (1987). De sorteermachine van Habermas. Met bijlages uit 1995 en 2016. Marie Kamphuis Archief, inventarisnr 2.1.4


Meer Uitgelichtjes lezen? Hieronder die vanaf mei 2016 t/m 2011:

Uitgelicht januari- mei 2016
Uitgelicht 2015
Uitgelicht 2014
Uitgelicht 2013
Uitgelicht 2012
Uitgelicht 2011



 
 
normaal groter grootst