Marie kamphuis stichting

Tekstgrootte

Uitgelicht

door Liesbeth Simpelaar

Serie Verleden in Beeld, met speciale aandacht voor de vrouwen in de geschiedenis

Daarbij geleid door de definitie van sociaal werk op https://www.movisie. nl/ artikel/ internationale- wereld-social-work: ‘Social work is a practice-based profession and an academic discipline that promotes social change and development, social cohesion, and the empowerment and liberation of people. Principles of social justice, human rights, collective responsibility and respect for diversities are central to social work. Underpinned by theories of social work, social sciences, humanities and indigenous knowledge, social work engages people and structures to address life challenges and enhance wellbeing.’


7 mei 2018

De Verlichting in de Republiek

De 18de eeuw


Vrouwe Justitia triomfeert over de ongerechtigheid, de op de grond liggende man. Zijn corrupt verkregen geld rolt over de grond, zijn valse masker is afgevallen. Een engeltje heeft een stuk papier of een zakje vast waar iets roods uitkomt op zijn borst, het is onduidelijk wat het is (het bloed van Christus?). Rechts staan, vol ontzag, een weduwe met kinderen, de engelen boven hen vieren een feestje en bekronen Justitia. Ze heeft een blinddoek voor, want ze spreekt recht zonder aanziens des persoons, alleen afgaand op feiten en daden, en met haar weegschaal weegt ze de bewijzen en getuigenissen af.

De natuur als moreel richtsnoer

De engelen op dit zeventiende eeuwse schilderij geven aan dat gerechtigheid door God gegeven wordt; door Hem kun je rechtvaardig spreken en handelen en recht doen aan wezen en weduwen.
In de eeuw van de Verlichting veranderde deze kijk op het recht. Door de toenemende alfabetisering en door de ontdekkingsreizen nam de kennis van de wereld toe, en de ontwikkeling van de wetenschappen en de filosofie van Descartes, Spinoza, Locke en Rousseau maakten dat mensen losser kwamen te staan van godsdienstige dogma’s. Er was groot verschil van mening over hoe religie en wetenschap met elkaar te rijmen waren, maar het besef groeide dat niet alleen de bijbel, maar ook de natuur ons de bedoeling van God openbaarde. Alles in de natuur had zijn plaats en bestemming. De menselijke rede kon die grote ordening doorgronden, en kennis van de natuurlijke aanleg van mensen gaf inzicht in hun bestemming, in wat hen werkelijk recht zou doen. Ieder mens was van nature (aangeboren en onvervreemdbaar) gelijk en vrij, dus moest iedereen dezelfde grondrechten worden toegekend.
Deze ideeën over natuurrechten resulteerden aan het eind van de eeuw, in 1795, in de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger.

Daarin stond een hele reeks rechten, zoals het algemeen kiesrecht, het recht om in gevangenschap niet strenger te worden behandeld dan noodzakelijk, het recht op eigendom, op godsdienstuitoefening, op controle van bestuurders en op hoe belastingen werden besteed. Burgers hadden vrije meningsuiting en mochten hun ideeën in druk laten verschijnen, ze hadden het recht om zich tegen onderdrukking te verdedigen en konden zelfs de staatsvorm veranderen.

Helaas had de Verklaring niet veel gevolgen. Begin negentiende eeuw werd een deel van deze rechten weer ingetrokken, en pas in 1948 zou Nederland zich weer, samen met andere landen, bezinnnen op een soortgelijke verklaring, die van de Rechten van de Mens.

Vrouwen

De rechten in de Verklaring waren, net als die in de Franse Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen van 1789, alleen voor mannen bedoeld, vrouwen waren geen leden van de maatschappij.
Wel was de vrouwenstrijd in Frankrijk radicaler, politieker gericht dan in de Republiek. Daar waren er in welgestelde kringen vrouwen die voor hun recht op onderwijs en persoonlijke ontwikkeling opkwamen, maar zij overtraden daarmee slechts gedeeltelijk het toen geldende ideaalbeeld van de vrouw als behorend tot het privé-domein.

Voorbeelden zijn Betje Wolff, die ervoor pleitte dat vrouwen hun verstand zouden mogen gebruiken inplaats van in ledigheid hun dagen door te brengen, en de rebelse schrijfster Belle van Zuylen, die zich verdiepte in wiskunde en liever briljant was dan fatsoenlijk. En naast hen waren er vele andere actieve vrouwen, ze namen deel aan salons en literaire genootschappen, schreven gedichten en romans, componeerden muziek en schilderden. Er waren zelfs geleerde vrouwen.

In Frankrijk ging de strijd niet alleen over persoonlijke ontwikkeling. Daarvan getuigt een toespraak bij een Parijse bijeenkomst in 1790 van de Groningse Etta Palm-Aelders die naar Parijs was verhuisd: ‘Mijne Heeren, (…) De rechtvaardigheid moet de eerste deugd zijn der vrije menschen en de rechtvaardigheid vraagt dat de wetten gemeen zijn aan alle wezens als de lucht en de zon; en toch zijn overal de wetten gunstig voor de mannen ten koste der vrouwen, omdat overal de macht in uwe handen is. (…) Dat onze heilige revolutie een tweede revolutie bewerke in onze zeden…, dat de burgerkronen op onze hoofden die ellendige pompons mogen vervangen, die symbolen der lichtzinnigheid en schandelijke teekenen onzer slavernij!’ (1).

Wel was de positie van vrouwen in de Republiek, vergeleken bij andere West-Europese landen, tamelijk gunstig. Doordat veel mannen op zeevaart waren of daarvan niet terugkwamen, en doordat er door het vrouwenoverschot veel alleenstaande vrouwen waren, moesten vrouwen vaak zelfstandig zien rond te komen. Ze namen deel aan het maatschappelijke leven, werkten als naaister, bleekster, vroedvrouw, dienstmeid, kamenier, minnemoeder, er waren gildezusters (leden van het gilde) zoals brouwsters, tapsters en marktkramers, en het kwam voor dat weduwen of dochters het bedrijf van de man voortzetten. (2)

Ondanks die wat ruimere armslag is het opmerkelijk dat het in de 17de en 18de eeuw niet ongebruikelijk was dat vrouwen zich voordeden als man, in de negentiende eeuw kwam dat niet meer voor. Vrouwen vermomden zich en werkten in de zeevaart of als soldaat, ze trouwden zelfs vrouwen. Het waren jonge vrouwen uit de lagere klassen, losgescheurd van hun wortels door de dood van beide ouders, door conflicten of door migratie. Velen waren niet in Nederland geboren en de meesten waren alleenstaand en eenzaam. Door te boek gestelde terechtstellingen weten we hun motieven: ze wilden uit de armoede ontsnappen, voor hun echtgenoot vluchten of voor het vaderland vechten. Waarschijnlijk speelde seksuele geaardheid ook een rol (3).

Vluchtelingen en migranten

Tijdens de Gouden Eeuw, die ongeveer tot 1750 duurde, vluchtten veel mensen uit religieuze, politieke en economische redenen naar de Republiek, want daar was welvaart en meer godsdienstvrijheid dan in andere landen. En ze waren hier hard nodig, want ze dichtten het ‘Indische lek’, de bevolkingskrimp. Er waren tijden dat maar eenderde van de zeelieden en soldaten terugkwam, ze overleden op zee, in oorlogen of aan tropische ziekten.

Maar toen aan het eind van de eeuw de economische groei stagneerde werden vluchtelingen en migranten ongewenste concurrenten op de arbeidsmarkt en sloten steden hun poorten voor nieuwkomers: ze voerden het systeem van borgbrieven in (een bewijs dat de stad van herkomst verantwoordelijk was als onderstand nodig was). Steden stuurden werkloze armen naar elkaar door, en het gevolg was dat veel mensen al bedelend, radeloos op zoek naar werk, rondtrokken, ‘landlopers’ werden.

Amsterdam was de enige stad die niet meedeed met de borgbrieven. Vreemdelingen bleven er welkom, want die hadden goede diensten bewezen tijdens de Engelse oorlogen. En op de schepen van de VOC waren nog steeds allerlei mensen nodig: boekhouders, klerken, werkbazen en gespecialiseerde arbeiders. Voor hun vrouwen en kinderen was er de liefdadigheid, de armenkas die op orde bleef door rente op vergaard kapitaal en de liefdadige cultuur. De grote aanslag op de armenkas werd ondervangen door beperkingen aan de bedeling, door middel van controle door buurtmeesters en een zomerstop.
Zo nam Amsterdam veel van de rondtrekkende armen op, het had een ware ventielfunctie binnen de Republiek. Het kwam door Amsterdam en de VOC dat het systeem van armenzorg aan het eind van de eeuw niet instortte (4).

De armen

Door de borgbrieven werd de zoektocht naar inkomsten niet makkelijk gemaakt, en die werd nog moeilijker door het verbod op ambulante beroepen. Het gewest Utrecht verbood herhaaldelijk niet alleen het bedelen, maar ook het uitoefenen van een ambulante nering of ambacht door mensen die niet binnen het gewest woonden. In een uitgebracht plakkaat van 1763 werden de verboden beroepen opgesomd: ‘marskramers, liedverkopers, ketelboeters, swavelstokverkopers, kuipers, schoenlappers, stoelenmatters, schoorsteenvegers, quackzalvers, deken- en rattenkruit, messen- en scheerenslijpers, speelmannen, goochelaars, omloopers met kijkkasten ende diergelijke’.

Redenen hiervoor waren dat het stadsbestuur rust en orde (lees: hun gezag) wilden bewaren, want er werden schotschriften verkocht en opruiende liederen gezongen, plus het feit dat de gildes geen concurrentie wilden. Uiteraard werd het verbod regelmatig overtreden. (5)

Maar ook de stadsbewoners werden soms van hot naar her gestuurd. Om in aanmerking te komen voor de stedelijke armenzorg moesten mensen niet alleen een minimum aantal jaren in een stad hebben gewoond, maar ook geen kerklid zijn; kerken moesten hun eigen arme kerkleden verzorgen. Maar de kerkelijke armenkas, de diaconie, bestond uit de contributies van kerkleden, en alleen de gereformeerde kerk ontving subsidie van het stadsbestuur. Het gevolg was dat kerken hun diaconie bij voorkeur voor armen reserveerden die meelevend, van onbesproken levenswandel en soms ook ingeboren waren; als dat niet het geval was, beschouwden ze mensen als stadsarme en stuurden ze door naar de burgerlijke armvoogdij, waarna die ze soms weer terugstuurde naar het kerkbestuur.

Want ook de publieke armenkas zat krap. De bereidheid om ook die kas te spekken was verminderd doordat kerkleden al moesten zorgen voor hun eigen arme leden.
Daarbij kwam nog dat zowel stedelijke als kerkelijke bestuurders voornamelijk aandacht besteedden aan het behoud van de eigen stand, aan bescherming van mensen uit eigen kring tegen verval in armoede. Het stadsbestuur had ‘correspondentiebeurzen’ voor verarmde leden van het stadsbestuur en voor pensioenen voor officieren van de schutterij, en gaf vrijkomende stadsambten als bierdrager en klokkenluider weg aan kennissen.

Ook de beurzen van de gilden waren bestemd voor vervalsbescherming van uitsluitend gildeleden. Er ontstonden statusverschillen tussen armen: kinderen in de burgerweeshuizen kregen bijvoorbeeld een betere behandeling dan die in de stadsweeshuizen, daar was slechter voedsel en een strengere discipline. In Leeuwarden werden alle weeshuiskinderen aan het werk gezet in spinhuizen, maar de stadsweeshuiskinderen moesten vloeren schrobben, waardoor ze niets leerden; de burgerweeshuiskinderen kregen het fijne werk. (6)

Werk- en tuchthuizen

In de tweede helft van de achttiende eeuw verplichtten stadsbesturen en diaconieën de armen tot onderwijs en een gedisciplineerd leven. Het idee was dat scholing en werkverschaffing de armoede zou wegnemen. Er kwamen armenscholen en werk- en tuchthuizen. In de werkhuizen werden de ‘valide’, arbeidsgeschikte, armen tewerkgesteld. Mooi neveneffect moest zijn dat door de lage lonen de neergaande economie weer op gang kon worden geholpen (7). Helaas pakte dat anders uit. Door de werkdwang (werken op straffe van een stop op bedeling) leverden mensen slecht werk af en door het eenzijdige werk leerden ze geen beroep waarmee ze zelf de kost konden gaan verdienen (8).

Een veroordeling tot een tuchthuis (rasp- of spinhuis) verving de eerdere lijfstraffen en de galg, en lieden van ‘quaad gedrag’ werden daar, op verzoek van echtgenoot, familie, buren of de baljuw, een tijd opgesloten. Kwaad, misdadig gedrag kon van alles zijn: bedelarij, dronkenschap, landloperij, tuindiefstal, bedreiging met geweld, en overspel (9).

In de achttiende eeuw heerste een sterke pre-occupatie met orde en discipline. Er was verdraagzaamheid ten aanzien van onorthodoxe ideeen, maar niet ten aanzien van opvallend of afwijkend gedrag. Vanuit de kerk, door burgerwachten en door buren werd sociale controle uitgeoefend op onzedelijkheid, baldadigheid en dronkenschap. Zo ontstond een schaamtecultuur, waarin het ophouden van de schone schijn, de goede naam en de persoonlijke eer bepalend was. (10).

Vrouwen die overspel pleegden of hoererij bedreven waren een schande, een aantasting van de eer van hun familie en echtgenoot. Een vrouw werd gezien als hoer als ze seks bedreef buiten het huwelijk, of dat nu betaald was of onbetaald. Zo kon een weduwe die nog een kind had gekregen veroordeeld worden tot een verblijf in het spinhuis.
Uit onderzoek blijkt dat veroordeelden wegens overspel tussen 1650 en 1750 voornamelijk vrouwen rond de twintig jaar oud waren, die los van hun familie leefden en als naaister onvoldoende inkomsten hadden. In het spinhuis kon de hele stad ze komen bekijken en bespotten, want dat stond open voor nieuwsgierig publiek. (11)

Afbeeldingen

- Gabriel Metsu (1655-1659): Triomf van de Gerechtigheid die de weduwen en wezen beschermt:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Gabri%C3%ABl_Metsu_008.jpg
- Jens Juel (toegeschreven aan) (1775-1799): Belle van Zuylen
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Belle_van_Zuylen,_attributed_to_Jens_Juel.jpg?uselang=nl
- P.M.W. Trap: Vrouwentuchthuis achttiende eeuw (steendruk):
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Tuchthuis18eEeuw.jpg


Bronnen


(1) Gelder, H.E. van, ‘Feministische Bataven’. In: De Amsterdammer, 3,10 en 24 november 1907. Opgenomen in Fritschy, Wantje (1980), Fragmenten Vrouwengeschiedenis deel 1, p 68-83
(2) Barneveld, Timo van, De Republiek: prostitutie en vrouwelijke criminaliteit:http://www.gendergeschiedenis.nl/index.php/gendergeschiedenis/dossiers/220-republiek-prostitutie-en-vrouwelijke-criminaliteit. En: Huisman, W. en Joubert, C.M. (1996), Gedogen: Een verschijnsel van alle tijden en alle plaatsen? Vrije Universiteit Amsterdam
(3) Dekker, Rudolph en Pol, Lotte van de (1989): Vrouwen in mannenkleren, Wereldbibliotheek Amsterdam
(4) Leeuwen, Marco van, ‘Amsterdam en de armenzorg tijdens de Republiek’, in: NEHA-jaarboek 95, p 132-161, Vakgroep Sociale en Economische Geschiedenis Universiteit Utrecht
(5) Salman, Jeroen (2009), ‘Over omlopers, liedjeszangers en marskramers’. In: Bijzonder onderzoek, universiteitsbibliotheek Utrecht: https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/298678
(6) Joke Spaans (1997), Armenzorg in Friesland 1500-1800, uitgeverij Verloren, Hilversum
(7) Schmidt, Freek, ‘Armoede en verlichting. Het nieuwe werkhuis in Amsterdam en Abraham van der Hart’. In: De Achttiende Eeuw, Jaargang 2003, p. 89-122: http://www.dbnl.org/tekst/_doc003200301_01/_doc003200301_01_0012.php
(8) Huussen, A.H., recensie van Eerenbeemt, v.d. (1977), 'Armoede en arbeidsdwang. Werkinrichtingen voor ‘onnutte’ Nederlanders in de Republiek 1760-1795'. In: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 1978, deel 93, p 515-518: http://www.dbnl.org/tekst/_bij005197801_01/_bij005197801_01_0021.php
(9) Bontenbal, Adriana, Het Goudse tuchthuis, een analyse van een Goudse instelling 1611-1811
(10) Huisman, W. en Joubert, C.M. (1996), Gedogen: Een verschijnsel van alle tijden en alle plaatsen? Vrije Universiteit Amsterdam. En: Kools, Frank, ‘Paardemest achter de deur bracht een hoer rijke klanten’. Recensie in Trouw, 14 februari 1997, van: Pol, Lotte van, 'Het Amsterdams Hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw', Wereldbibliotheek, Amsterdam
(11) Kools, Frank, ‘Paardemest achter de deur bracht een hoer rijke klanten’. Recensie in Trouw, 14 februari 1997, van: Pol, Lotte van, ‘Het Amsterdams Hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw’, Wereldbibliotheek, Amsterdam


Opmerking 15 mei 2018: deze pagina wordt even gereconstrueerd. Pdf's van de eerdere stukken uit de serie Verleden in Beeld worden hier z.s.m. weer geplaatst.

Meer Uitgelichtjes lezen? Hieronder die vanaf mei 2016 t/m 2011:

Uitgelicht januari- mei 2016
Uitgelicht 2015
Uitgelicht 2014
Uitgelicht 2013
Uitgelicht 2012
Uitgelicht 2011



 
 
normaal groter grootst