Marie kamphuis stichting

Tekstgrootte

Uitgelicht

door Liesbeth Simpelaar

‘Dat krijg je als vrijwilliger niet voor elkaar.'
Interview met Leida Schuringa over het opbouwwerk

8 juli 2019


Leida Schuringa werkte vanaf 1973 in het opbouwwerk. Ze werd docente aan De Horst, gaf supervisie, leidde en begeleidde vele projecten en zette een centrum voor vluchtelingenvrouwen op. Daarnaast schreef ze over haar werk, o.a. Omgaan met diversiteit, Projectmatig werken voor de non-profitsector en Community Work and Roma Inclusion. Momenteel is ze coach, schrijft ze voor Pioniers Magazine en geeft ze opbouwwerk-trainingen in Tsjechië.

In dit interview vertelt ze over haar eerste project, waarin ze op originele wijze medezeggenschap organiseerde, over wat het huidige opbouwwerk volgens haar nodig heeft en over het principe van zelfbeschikking in het opbouwwerk.

Hoe ben je in het opbouwwerk verzeild geraakt?   

‘Ik ben van oorsprong socioloog. Bij mijn werk aan het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting merkte ik dat er allemaal ambtenaren aan tafel zaten en vroeg ik me af: ‘Waar zijn de bewoners?’. Toen heb ik in 1972 de verkorte opleiding opbouwwerk gedaan in Den Haag. Dat was een radicale opleiding, gebaseerd op het inzicht dat bestuurders niet vanzelf weggaan, je moest aan de poten van hun stoel gaan zagen.’

Was opbouwwerk in de jaren ’70 een soort oorlog tegen het establishment?

‘Ik ben nooit zo geweest van het conflict, ik zoek naar een ingang tot samenwerking, een weg in wat bewoners willen. Opbouwwerk was toen voornamelijk het werken in regio’s waar een soort inspraak moest plaatsvinden. In 1973 werd ik renovatiewerkster, zo heette dat toen, in de wijk Oudwijk in Utrecht. De gemeente had een sloopplan voor het grootste deel van de wijk, met name het stuk ten zuiden van de Burgemeester Reigerstraat.
Eerst ging ik inventariseren wat er aan de hand was. Er was al een wijkcomité, dus ging ik daarmee praten. Er waren acties en vergaderingen geweest, bewoners wilden het plan niet, wilden geen sloop.
De vraag was hoe we dat gingen aanpakken...'  Lees hier het hele interview


Louise Went (1865-1951): stoffelijke en geestelijke welvaart voor het volk

deel 2: Proper leren wonen

31 mei 2019

























Naast het toezicht op de bouw van woningen, was het de taak van een woningopzichteres om de huur op te halen en zodoende contact te leggen met de huurders. Ze moest zorgen dat die zich aan de regels hielden en hen leren om proper te wonen.

Bewoners hadden hun hele leven in een krot of kelder geleefd en hadden nooit privacy, een privaat en een keuken gekend. Sommige bewoners zagen in hun nieuwe woning de zin van het privaat niet in en gebruikten het als opbergruimte (20). En Went vertelde over een vrouw die het fornuis telkens naar de woonkamer versleepte om die te verwarmen, tot ze inzag dat dat niet nodig was.  
Onderlinge ruzies werden vaak met veel geschreeuw en geweld opgelost en veel mannen hadden een alcoholprobleem, dus rekening leren houden met de buren was ook een dingetje, vooral in de woningen van de revolutiebouw. "In de dicht bevolkte buurten van onze grote steden met hun hoge bouw en hun drie of vier verdiepingen boven elkander voelt men de nadelen van dit soort huisvesting dagelijks, en wrijvingen tussen gezinnen kunnen niet uitblijven. Helaas, verdraagzaamheid en inschikkelijkheid behoren nu eenmaal niet tot de meest voorkomende menselijke eigenschappen,”, schreef Went (21).
Ook kwamen veel bewoners nooit buiten hun eigen buurt en waren ze niet gewend om naar een ziekenhuis, kinderarts of MOB te gaan als dat nodig was.

De werkwijze van Went

De regels van de Bouwonderneming Jordaan waren dat de huur wekelijks moest worden betaald, maaltijden niet in de keuken maar in de woonkamer moesten worden gegeten, de was mocht niet in de woonkamer te drogen hangen, meisjes en jongens boven de 10 jaar moesten apart slapen, het trapportaal mocht niet als opslagplaats worden gebruikt, verkoop van sterke drank was verboden, en ook het houden van kostgangers en viervoetige huisdieren (m.u.v. katten). Verder waren er allerlei details, zoals dat kleden niet op het balkon mochten worden uitgeklopt (waar dat dan wel kon in een etagewoning is niet duidelijk).

Voor Went was het betalen van de huur niet onderhandelbaar, dat moesten mensen iedere week doen, zonder uitstel. De enige uitzondering die ze maakte was tijdens de spoorwegstaking van 1903; toen wenste ze de mensen alleen veel moed, en dat werd niet vergeten, schreef Blomberg in haar biografie over haar (22).

Bij geluidsoverlast en ruzies tussen buren was het volgens Went een schone zaak om geduld te oefenen, want regels waren niet voor alles te maken. Ze wilde zich absoluut geen inspectrice noemen, maar opzichteres (23) en drong zich niet op: "Ik las ergens, dat het ergste wat een mens kan overkomen, is te worden geregeerd door een bemoeial. Inderdaad, en daarom: laat ons rustig afwachten, gebeurt het niet ontelbare malen, dat iets vanzelf terecht komt, juist als men er zich niet mee bemoeit?” (24)
Ze loste dingen niet vanuit gezag op, maar keek naar de mogelijkheden van de ander om problemen op te lossen. Blomberg schreef: "Voor mij was het een wonderlijke gewaarwording voor mijn ogen te zien, hoe mensen elkaar bewust kunnen maken van eigen mogelijkheden.” (25) Ze kwam nooit onverwachts op huisbezoek, maar kondigde dat van te voren aan. Een studente van de opleiding vroeg haar hoe ze bewoners dan kon betrappen op slordigheid, en ze antwoordde: "Daar gaat het helemaal niet om. Ik wil ze niet betrappen. Ze moeten de kans krijgen het goed en gezellig te maken.” (26)
Ook architect Van der Pek kwam overigens regelmatig op huisbezoek, omdat hij benieuwd was hoe de woning beviel. Hij vroeg dan bijvoorbeeld of de vrouwen liever iets anders hadden dan de zolder om de was te drogen als het regende en wat ze van de grootte van de bedstee vonden.

De bewoonsters vertrouwden aan Went hun persoonlijke problemen toe. "Hoe kwam het, dat de bewoners haar onmiddellijk in vertrouwen namen?”, vroeg Blomberg zich af. "Zo gauw iemand haar naderde, was zij volledig verdiept in de ander. Zij kon luisteren, zoals ik het nooit een ander heb zien doen. Dat was haar kracht bij het huisbezoek. De moeilijkheden kwamen vanzelf tot haar. De vrouw, die uit een woning kwam met één bedstee en er nu een met drie had gevonden, vertelde uit zichzelf: ‘Ik laat nog altijd een kind tussen mijn man en mij inslapen, al is het niet nodig. Maar het is nodig, dat ik geen kind meer krijg,’” (27).

Doel van het werk opzichteres was voor Went verbetering van de volksgezondheid, volksontwikkeling en volksgeluk. Praktische zaken waren belangrijk, maar vooral "De gelegenheid om hulp te bieden, om warmte te geven, om innerlijke groei te bevorderen.” (28)
Voor ontwikkeling en innerlijke groei ondernam Went allerlei dingen. Zo lieten zij en haar man Van der Pek de Jordaankinderen logeren in hun zomerhuis in Santpoort, en stimuleerde ze de bewoners met hun kinderen naar buiten te gaan, naar zelfgebouwde tuinhuisjes aan de rand van Amsterdam, naar een zomerkamp in Bussum of op de Veluwe.
Voor gezondheid en geluk werd de verwijzing naar sociale instanties steeds meer een onderdeel van het vak. Blomberg schreef: "Eerst was de woningopzichteres een wandelende encyclopedie in het contact met sociale instellingen. Dat aantal groeide in die tijd en de opzichteres moest de sociale kaart van de stad goed kennen om te kunnen verwijzen.” (29) 


Afbeelding
Käthe Kollwitz, 1910, Twee arbeidersvrouwen. Vrij van auteursrechten:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:ZWEI_STUDIEN_EINER_ARBEITERFRAU_.PNG?uselang=nl

Noten
(20) L. van der Pek-Went (1938), ‘Woningtoestanden voor de woningwet’, In: L. van der Wal e.a. (red.), Beter wonen, Gedenkboek 1913-1938, De Arbeiderspers Amsterdam, p. 15
(21) L. vander Pek-Went, Ervaringen van een woningopzichteres (1936-1938), opgenomen in Blomberg, zie noot 7, p. 117
(22) Blomberg, zie noot 7, p. 27
(23) Blomberg, zie noot 7 p. 28, 40
(24) Went, Ervaringen, zie noot 21, p. 115
(25) Blomberg, zie noot 7, p. 51
(26) Blomberg, zie noot 7, p. 40
(27) Blomberg, zie noot 7, p. 28
(28) Went, De plaats van de vrouw bij de bouwvereniging (1938), opgenomen in Blomberg, zie noot 7, p. 128
(29) Blomberg, zie noot 7, p. 28

Louise Went (1865-1951): stoffelijke en geestelijke welvaart voor het volk

Deel 1: Bouwonderneming Jordaan

6 mei 2019
















" De leefwijze der minder gegoeden boezemde den beter gesitueerden weinig of geen belang in. Op het gevaar van slecht wonen en enge behuizing werd dan ook voor het eerst de aandacht gevestigd, toen epidemieën de landen teisterden.”

Dit schreef Louise Went in 1938 (noot 1 en 2). Het was een aanklacht tegen onverschilligheid. Pas toen het  – na een halve eeuw – doordrong dat de volksbuurten een bron van besmettelijke ziekten als cholera, tyfus en tuberculose waren, kwam er in 1901 een Woningwet die rijksvoorschotten voor woningbouw mogelijk maakte. Ook werd in Nederland later dan in Engeland en Duitsland riolering en waterleiding in volksbuurten aangelegd (3).

Went voelde zich al vroeg betrokken bij de bewoners van de Jordaan. Als meisje woonde ze er dicht bij, en toen ze haar acte Lager Onderwijs haalde hielp ze de vrouwen, die overwegend analfabeet waren, de brieven te lezen van hun man als die ver op zee was, richtte ze kinderclubjes op en gaf ze gratis les. Ze las de artikelen in het Sociaal Weekblad van Hélène Mercier, die betoogde dat vrouwen nodig waren bij het verbeteren van woningen omdat dat niet alleen een technisch, maar ook een sociaal vraagstuk was, en raakte met haar bevriend.

Als enige vrouw werd Went lid van de Gezondheidscommissie in Amsterdam en in 1896 richtte ze, met o.a. Mercier, architect Jan Ernst van der Pek en politicus Arnold Kerdijk de Bouwonderneming Jordaan op, waar ze dertig jaar lang woningopzichteres zou zijn.

Het was vooral de vrouwenbeweging die ervoor zorgde dat er vanaf eind 19de eeuw aandacht kwam voor de volkshuisvesting (4). Mercier, en ook Went, speelden daar een belangrijke rol in.
Dit artikel gaat over de Bouwonderneming Jordaan, de toenmalige woonomstandigheden in Amsterdam en over het werk van Louise Went als woningopzichteres. Als laatste komt aan de orde hoe het later verliep met dat vak.
Om haar stem te laten horen zal ik veel citaten van haar opnemen zonder al te veel te interpreteren. Op die manier blijven we dicht bij haar en snuiven we de sfeer op van haar tijd. Haar visie op de de rol van de vrouw in het gezin zal ik niet bekritiseren. Soms was ze verrassend feministisch, op andere plekken liet ze zich weer erg traditioneel uit.

Bouwonderneming Jordaan

Deze filantropische bouwonderneming was een experiment om te kijken of het mogelijk was om zonder overheidssteun goede en betaalbare woningen te bouwen voor arbeiders. Als zou blijken dat dat niet kon, moest de overheid echt ingrijpen, hoezeer dat ook indruiste tegen de toenmalige vrijemarkteconomie. Went werd bij deze onderneming woningopzichteres, een nieuwe functie in Nederland; zij en Johanna ter Meulen, die elders in de Jordaan werkte, waren hier de eerste woningopzichteressen.

Toen de Bouwonderneming was opgericht ging Went eerst onderzoek doen naar de huidige woonomstandigheden van de bewoners aan de Goudsbloemstraat en de Lindengracht, het gebied dat opgekocht zouden worden.

Het leven van mensen in de Jordaan

Went trof veel gezinnen aan die in kelders woonden. Ze beschreef wat ze zag:
"Vele kon men slechts droog houden, door eenige uren per dag het steeds stijgende grondwater naar buiten te pompen; de vloer was vermolmd, alles droop van het vocht, langs de muren der bedsteden sijpelde het water. Licht- en luchtverversing waren zeer gebrekkig, in vele gevallen was de kelder van achteren blind, hetgeen wil zeggen, dat er aan den achterkant geen raam was, zoodat licht en lucht alleen door de voorruimte moest binnentreden; branden van een petroleumlamp op klaarlichten dag was schering en inslag in het achtervertrek. En daar achter in die donkere, vunze ruimte woonde men met het geheele gezin, omdat de voorkelder zeer dikwijls als winkeltje of werkplaats in gebruik was genomen."(5)

Eind negentiende eeuw hadden alleen welgestelden waterleiding, riolering en elektrisch licht. In de Jordaan moesten bewoners water halen bij een gemeenschappelijke kraan (die in de winter dicht was omdat hij toch maar bevroor) of per emmertje betalen bij de vuur- en waterbaas. In weinig woningen was een privaat aanwezig; mensen deden hun behoefte in een poeppot die bij de bedstee of in een kast stond en dagelijks werd geleegd door wat grappend de Boldootkar werd genoemd (Boldoot was een eau de cologne-merk). Als je de pot naar de kar bracht moest je oppassen dat je op de steile trappetjes niet uitgleed.
Slapen deden mensen in een bedstede, op de vloer of op een paar stoelen. Het stikte in de huizen van het ongedierte: hoofdluizen, wandluizen, vlooien, het was er vies, donker en het stonk. Vrouwen hadden hun handen vol aan hun zwangerschappen (de pil bestond nog niet), hun kinderen, het huishouden (de was op de hand!), een centje bijverdienen zoals garnalen pellen voor restaurants, burenhulp en burenruzies.

Achtergrond van deze situatie was dat vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw veel ongeschoolde krachten (voor werk in de bouw, de haven en fabrieken) naar Amsterdam trokken. De grondprijzen en de huren stegen en velen konden een fatsoenlijke woning niet betalen. In de volksbuurt de Jordaan werd elk lapje grond benut en grote gezinnen leefden hudje mudje bij elkaar. Het was er een doolhof van poortjes en gangetjes. Binnenplaatsen en tuinen werden volgebouwd met eenkamerwoningen, huizen werden opgesplitst en kelders bewoond. In 1874 waren in Amsterdam totaal 4.985 kelderwoningen, merendeels in de iets lager gelegen, dus vochtige wijk de Jordaan. (6)

Conclusie van Went's onderzoek

Na het onderzoek van Went bleek dat de woningen in de Jordaan niet konden worden verbeterd, maar gesloopt moesten worden. Ze kreeg er de reputatie van ‘mensenverstoter’, want de krotbewoners werden vaker van hot naar her gejaagd zonder dat ze daar iets mee opschoten. Maar Went had iets geleerd: "De bezoeken aan kelderwoningen en krotten hadden haar doen inzien dat niet alleen bouwtechnische kennis vereist was, maar dat een scholing op sociaal en psychologisch gebied minstens even belangrijk is,” vertelde haar opvolgster Blomberg (7). Woningen moesten op een andere manier worden gebouwd, maar die woningen vereisten een heel andere leefwijze, die mensen aangeleerd moest worden.

Maar hoe moest ze dat doen? Toen de sloopvergunning afkwam, ging Went in 1896 naar Londen om haar licht op te steken bij Octavia Hill. Dat was de eerste woningopzichteres ter wereld en een groot voorbeeld: zij kocht krotten op, verbeterde ze en de bewoners konden in het huis blijven wonen, want ze had geen winstoogmerk. Ze haalde zelf de huur op waardoor persoonlijk contact werd gelegd. Volgens Hill was verbetering van vollkshuisvesting de eerste voorwaarde voor de geestelijke verheffing van bewoners.
Went vertelde over haar: "Ze achtte de invloed van een slechte woning zo noodlottig en was zo overtuigd van de heilzame werking die verbetering op de bewoners zou hebben, dat ze dacht dat haar wijze van werken tot oplossing van het woningvraagstuk zou leiden, mits het beheer van deze verbeterde krotwoningen in handen kwam van een beschaafd, verstandig, warmvoelend mens en bij voorkeur in handen van een vrouw.” (8)

Hygiënistische woningen

De Bouwonderneming wilde nieuwe, betaalbare woningen bouwen die voldeden aan moderne, hygiënistische eisen. Hygiënisten vormden toen een brede internationale beweging van artsen, psychiaters, onderwijzers, juristen en hulpverleners, die dachten dat besmettelijke ziektes door miasma (de kwalijke walm van afvalwater, beerputten, privaten, poeptonnen) ontstonden. Zonlicht en lucht roeiden die kwalijke dampen uit. Ook toen eind negentiende eeuw het bestaan van bacteriën werd ontdekt, bleef men bij deze visie.  

De beweging had ook in Nederland veel invloed en toen bleek dat vooral in volksbuurten besmettelijke ziekten heersten werden vooral de vrije toetreding van zon, licht en lucht en de aanleg van waterleiding en riolering als oplossingen gezien. Natuurlijk waren de krotten en kelders in de volksbuurten een doorn in het oog van de hygiënisten. Maar ook voor de revolutiebouw hadden ze geen goed woord over.

Vanaf 1870 probeerden revolutiebouwers de woningnood op te lossen door gestapelde woningen te bouwen aan de rand van de stad. Er werden geen wettelijke eisen aan woningen gesteld, dus kopers van grond bekommerden zich alleen maar om hoeveel woningen konden worden gebouwd op zo weinig mogelijk grond, huisjesmelkers wilden zoveel mogelijk huur innen en de (altijd mannelijke) architecten hadden geen aandacht voor de binnenkant van de woning, want geen flauw benul wat in een huishouden nodig was.

Went fulmineerde tegen deze woningen, "die dorre, eentonige huizenrijen, zonder kraak of smaak.” In 1937 vertelde ze in ene radiotoespraak: "Uit die jaren dateert o.a. de Amsterdamse alkoofwoning (..), die ons heden voor moeilijke problemen stellen, omdat er massa’s en massa’s van deze soort woningen zijn gebouwd en omdat men thans de onhygiënische opzet daarvan, de brandgevaarlijkheid en de ondoelmatigheid onvoorwaardelijk afkeurt.” (9). Bij alkoofwoningen lag de slaapkamer in het midden en had daardoor geen ramen. De hoge etagewoningen waren rug aan rug gebouwd zodat er maar aan een kant van de woning licht in de woning viel, en het waren smalle, diepe woningen met donkere trappen. De privaten waren onhygiënisch, want in gemeenschappelijke portalen. Er waren geen aparte slaapkamers voor kinderen, en de scheidingswanden tussen de woningen aan de voor- en achterkant waren brandonveilig en gehorig. Ook het gedrag van bewoners ging in tegen het principe van licht en lucht: bewoners huisden met het hele gezin in de inpandige keuken en gebruikten de kamer met het raam alleen als pronkkamer, waar ze ook nog gordijnen hingen om het verschieten van de bekleding te voorkomen. Ook waren er veel burenruzies, omdat zes gezinnen van één trap gebruik moesten maken.

Dat wilde de Bouwonderneming Jordaan beter doen. In haar visie op wat goede woningen waren vond Went in de architect Jan Ernst Van der Pek een bondgenoot.
Want Van der Pek was een buitenbeentje onder architecten. Hij vond het ontwerpen van gezonde en bruikbare volkswoningen de meest prangende kwestie in de architectuur en was bereid hiervoor tegen gering loon en weinig prestige te werken. Ook vond hij het belangrijk dat de woningen aangepast waren aan de levenswijze van arbeidersgezinnen. Hij had zich daarin al verdiept middels huisbezoeken vanuit het Armbestuur en de Volksbond tegen Drankmisbruik.
Hij ontwierp voor de Bouwonderneming 131 woningen, aan de Goudsbloemstraat 125-149 en de Lindengracht 206-246. Alle woningen kregen een eigen w.c. en een keuken. De keuken was klein, anders werd die weer gebruikt als woonkeuken en werd de woonkamer weer pronkkamer voor de mooie meubels. Van der Pek liet de nieuwe eenkamerwoningen aan de Goudsbloemstraat allemaal grenzen aan een binnenplaatsje voor licht en lucht, en ze hadden een balkon met bergkast, waar de bewoners erg blij mee waren. De tweekamerwoningen aan de Lindengracht kregen een portaaltje zodat bezoekers niet meteen met de deur in huis vielen. Omdat er behoefte was aan de combinatie wonen en werken waren dit woningen voor winkeliers. De bedrijfsruimte kwam aan de straatkant, de zolder kon gebruikt worden als opslagruimte. Ook kwamen er spouwmuren tussen voor- en achterhuizen, legde hij ventilatiekanalen aan en bijzondere raamconstructies voor de luchtcirculatie.  

Resultaat van het experiment

Went nodigde eerst de oude bewoners uit om terug te keren. Maar de meesten konden de hogere huur (v.a. f.1,70 p.m.) niet betalen: slechts 9 van de 103 gezinnen accepteerden een woning. Dat was een grote teleurstelling voor Went.
Resultaat van het experiment was daarom meteen duidelijk: het was niet mogelijk om op economische basis (dus met geldschieters) de huisvesting van arbeiders te verbeteren. Subsidie en andere wetgeving was nodig, grondspeculatie moest worden beperkt en het moest mogelijk worden grond te onteigenen.

Die conclusie zou grote invloed hebben op het ontstaan van de Woningwet in 1901. Ook had de werkwijze van de Bouwonderneming impact op de verdere ontwikkeling van de sociale woningbouw, omdat het de eerste woningbouwvereniging was die al in een vroeg stadium rekening hield met woonwensen van bewoners. (10)

(Volgende maand deel 2, over hoe Went als woningopzichteres de stoffelijke en geestelijke welvaart bevorderde.)

Afbeeldingen
- Fotograaf Jacob Olie (1834-1905): Gebed zonder End. Stadsarchief Amsterdam: http://beeldbank.amsterdam.nl/afbeelding/10019A000088. Vrij van auteursechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Jacob_Olie_001.jpg
- Schillenboer Jordaan 1945. Foto uit Nationaal Archief, archiefinventaris 2.24.01.03 fotonummer 900-4854. Vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:NL-HaNA_2.24.01.03_0_900-4854.jpg?uselang=nl
- Revolutiebouw, Gerard Doustraat Amsterdam (2008). Vrij van auteursrechten m.v.v. GNU Free Documentation License: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:GerardDoustraat.jpg

Noten

1) Louise Went was van 1901-1919 getrouwd met Van der Pek en heette toen Louise Van der Pek-Went. In publicaties over haar wordt ze wisselend Went of Van der Pek-Went genoemd, ongeacht de datum van de bronnen. In dit artikel koos ik ervoor haar "Went” te noemen.
(2) L. van der Pek-Went (1938), ‘Woningtoestanden voor de woningwet’, In: L. van der Wal e.a. (red.), Beter wonen, Gedenkboek 1913-1938, De Arbeiderspers Amsterdam, p. 15
(3) J.A.de Haan (2016), Landhuizen en villa’s in Nederland tussen 1840 en 1916, Universiteit van Amsterdam: http://dare.uva.nl
(4) E.M.L. Bervoets, ‘Woningbouwverenigingen als tussenschakel in de modernisering van de woningbouw 1900-1940’. In: A.A.A. de la Bruhèze, H.W. Lintsen, Arie Rip, J.W. Schot, Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 6. Stad, bouw, industriële productie (2003), p. 147, 148: https://www.dbnl.org/tekst/lint011tech06_01/lint011tech06_01_0008.php
(5) Went, zie noot 2, p. 21
(6) Went, zie noot 2, p. 16, 21-25
(7) Wilhelmina Blomberg (1985), Louise Went (1865-1951. Aan de bakermat van de Amsterdamse volkshuisvesting. Uitgave Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting Amsterdam, p. 7
(8) L. van der Pek-Went (1937), De vrouw en de strijd voor de verbetering van de volkshuisvesting. Radiotoespraak, opgenomen in Blomberg (zie noot 7), p. 145,146
(9) Went, zie noot 8, p. 148
(10) Bervoets, zie noot 4, p. 150

Sociale actie: overmoed en bescheidenheid

2 april 2019
















Dennendal, 1974: een groepsleider probeert de politie met een stoel tegen te houden

De periode 1965-1975 was een tijd van protest: je had de kraakbeweging, de vrouwenbeweging, acties tegen militarisme en tegen kerncentrales en acties door sociaal werkers. Van de laatste zijn de conflicten in Dennendal, een kliniek voor psychiatrische zwakzinnigen, heel bekend geworden.

Dennendal

Er was een nieuwe staf aangesteld op Dennendal, die vond dat zwakzinigen geen zielige patiënten waren maar waardevolle mensen die recht hadden op een gezellige woonruimte en menselijk contact. Eigenlijk moesten zwakzinnigen midden in de maatschappij wonen, want we konden veel van ze leren; net als andere marginalen waren ze nog het minst aangetast door de onderdrukkende gevestigde orde.

"Bij zwakzinnigen zie je dingen die je treffen, waarvan je je realiseert dat je ze kwijtgeraakt bent en hebt ingeleverd om overeind te blijven. Het charmante, het ontroerende, het naïeve, ook het agressieve en bijna dierlijke, het ontwapenende, het compromisloze, het mateloze van zwakzinnigen, dat herken je in meer of mindere mate” (1)

Zwakzinnigen voldeden meer dan ´normale´ mensen aan het ideaal van een spelende, creatieve, vrije en spontane mens. Volgens de actievoerders van Dennendal moest de samenleving zo ingericht worden dat iedereen zijn of haar eigen mogelijkheden en talenten kon ontplooien, onafhankelijk van gezag en zogenaamde deskundigen.

De ASCA in Groningen

Al dat protest ging ook niet voorbij aan de ASCA in Groningen. Dat blijkt uit het lesmateriaal dat Wim van der Sluis, vanaf 1972 docent methoden maatschappelijk werk, schonk aan het Marie Kamphuis Archief (2). Terugziend op die tijd schreef hij in 2014:

"Wat op de ASCA dreigde was de tendens om van het maatschappelijk werk "uitgevoerde politiek” te maken. ‘Alles is politiek’, aldus de slogan van veertig jaar geleden, dus zeker ook het maatschappelijk werk. (…) In haar laatste levensjaren zei Marie Kamphuis eens tegen mij: ‘Ze wilden nota bene van de ASCA een communistisch bolwerk maken!’’ Met ‘ze’ bedoelde Kamphuis sommige marxistisch ‘angehauchte’ collega’s van mij, maar zelf heb ik een dergelijk streven nooit rechtstreeks kunnen waarnemen.”

Wat Van der Sluis wel zag waren twee richtingen op de ASCA. Naast de structuurveranderaars waren er de zelfontplooiers, die een zoektocht ondernamen naar hun ware, onaangetaste zelf. Lesgeven was voor hem en zijn collega’s een hele toer: "Ook ik heb me blauw gepend om helder te krijgen wat er in en om mij heen gaande was”.

Maatschappelijk werkers moesten zich regelmatig met politiek bemoeien, maar het werk viel niet samen met het bedrijven van politiek, vond Van der Sluis. En zowel bij de zelfontplooiers als bij de structuurveranderaars zag hij overmoed, een te groot optimisme ten aanzien van de haalbaarheid van maatschappelijke en persoonlijke veranderingen. Hij schreef: "De hoop op veranderingen in de zin van vooruitgang werd vaak een geloof, dat buiten de feitelijkheid om ging functioneren.”

Als docent schreef Van der Sluis lesbrieven voor zijn studenten die een basis voor discussie vormden. Toen hij merkte dat er bij studenten onduidelijkheid was over de betekenis van ‘individueel gericht’ maatschappelijk werk schreef hij in 1979 in een lesbrief: "Het principe van het individualiseren heeft niets te maken met de schaal waarop je werkt. (…) In je werk ben je afhankelijk van de inzichten, opvattingen en situaties van alle deelnemers, naast die van jezelf. Dat feit blijft bestaan, ook al werk je met een half dorp!”

Geïnspireerd door Okko Warmenhoven (docent andragologie aan de RUU) en door Walter Benjamin (filosoof) kwam hij tot het inzicht dat het altijd en overal gaat om unieke mensen. Hulpverlening is luisteren naar ieders verhaal en de dialoog aangaan. Het is een voortdurend zoeken, inplaats van een werken vanuit definities en vaststaande doelen. Het is het verhelderen van de aanspraken van onderdrukten en niet de rol van almachtige verlosser spelen. Het is mededogen hebben met de traagheid van verandering bij mensen en samenlevingen. Die zijn niet planbaar en niet maakbaar. Methoden en oplossingen zijn slechts interventies temidden van complexe levensprocessen.

Bescheidenheid

Het zijn wijze inzichten, die je als hulpverlener bescheiden maken.
Ondertussen hebben de acties op Dennendal wel een revolutie veroorzaakt in de ggz en de gehandicaptenzorg (3). Mensen 'met een uitdaging' worden nu niet meer weggestopt in ongezellige instituten in de bossen, maar zijn vaak burgers geworden die (onder begeleiding) in kleine gemeenschappen in woonwijken wonen. Al heeft die ontwikkeling inderdaad wel even geduurd.


Foto
Ontruiming Lorentz paviljoen van Dennendal; groepsleider tracht politie met een stoel tegen te houden. Bezit Nationaal Archief. Auteur: Hans Peters / Anefo. Vrij van auteursrechten:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ontruiming_Lorentz_paviljoen_van_Dennendal_groepsleider_tracht_politie_met_een_,_Bestanddeelnr_927-3001.jpg

Noten
(1) De Rooy, Martin en Steers, Ton (1972), Hoe mis het is! Over maatschappij en inrichting, p. 131. Geciteerd in: Tonkens, Evelien (1999), 'Het zelfontplooiingsregime. De actualiteit van Dennendal en de jaren zestig', uitg. Bert Bakker, p. 105; een scan is te vinden op https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_aut/details_verwant.php?cps=2&verwant=80 onder Literatuur.
(2) Van der Sluis, Wim: Lesbrieven en overdenkingen. Marie Kamphuis Archief. Onder het inventarisnummer 2.1.4. Wim van der Sluis vindt u een overzicht van zijn geschonken materiaal; in het Archief kunt u het inzien.
(3) Tonkens, Evelien (1999), Het zelfontplooiingsregime. De actualiteit van Dennendal en de jaren zestig, uitg. Bert Bakker, p. 12; een scan is te vinden op https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_aut/details_verwant.php?cps=2&verwant=80 onder Literatuur.

Marie Kamphuis over schuld, socialisme en sociale aanpassing

28 februari 2019












In de koude oorlogswinter van 1944 zocht Marie Kamphuis haar toevlucht tot de Groningse universiteitsbibliotheek. Op haar kamer had ze geen verwarming en de opleiding waar ze in 1943 directrice van was geworden lag stil.
In die bibliotheek deed ze onderzoek voor haar artikel Uit de Voorgeschiedenis van het ‘Helpen als ambacht’ (1) en kwam ze de Verspreide Geschriften tegen van Allard Pierson. Daaruit nam ze in haar artikel dit citaat op:

"Geef mij, die mij medeplichtig gevoel aan al het verkeerde in de maatschappij, geef mij op de groote bank der beschuldigden een plaats naast den schuldigste; geef mij, die krank ben en onwetend, in ons groot hospitaal een plaats naast den meest aangetaste!” (2)
Dat klinkt als een smeekbede aan God, en dat was het waarschijnlijk ook.

Schuld

Pierson (1831-1896, predikant, letterkundige en kunsthistoricus), voelde zich solidair met de laagste klasse, de uitgebuite arbeiders in krottenwijken, en het kon hem niet schelen als hij daardoor socialist werd genoemd. Hij riep op tot christelijke medemenselijkheid, tot een werken van beneden naar boven inplaats van het neerbuigende van boven naar beneden van de filantropen.

Dat moet Kamphuis erg hebben aangesproken. Want, zo vertelde ze in een interview met Ischa Meijer, tot in de eerste helft van de 20ste eeuw lag ze in de clinch met christenen die dachten dat het de eigen schuld was van mensen als ze in de marge van de samenleving leefden. Ook vertelde ze Meijer dat ze in de jaren ’30, toen ze de opleiding voor maatschappelijk werkster in Amsterdam (de CICSA) volgde, socialist was geweest (3).

Socialisme

Zo kwam het dat Kamphuis in het artikel schreef dat het een hele vooruitgang was toen de visie van socialisten en mensen als Pierson invloed kreeg: armoede ontstond door maatschappelijke ontwikkelingen, door industrialisatie en bevolkingstoename (4). De term ‘maatschappelijk werk’ betekende eind 19de, begin 20ste eeuw dan ook hulp bij maatschappelijke nood, d.w.z. nood als gevolg van sociaal-economische factoren (5). De opleidingen deden echter hun best iedere associatie met socialisme te vermijden, want dat kostte hen studenten.

Maar in het begin van de 20ste eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog, vond er een verschuiving plaats, constateerde Kamphuis. Sociale wetgeving kwam tot stand, verenigingen en instellingen werden opgericht. Door die verbeteringen kwam de bestrijding van armoede een stuk minder hoog op de agenda te staan en het maatschappelijk werk richtte zich ook op de middenklasse. Ook bleek ”dat men heel wat uiterlijke omstandigheden van mensen veranderen kan en hen materieel en maatschappelijk zo goed mogelijk kan outilleren, terwijl dan toch bepaalde vormen van nood kunnen blijven bestaan of opnieuw ontstaan.” (6) Het kostte mensen door hun eigen beperktheid moeite om sociaal goed te functioneren.

Uit die laatste ontwikkelingen vloeide het social casework voort, dat de nadruk legde op psychische en psychosociale factoren (woning, werk en gezin). Al met al kreeg het social casework een begrensde taak voor alle bevolkingsgroepen, namelijk sociale aanpassing (7).

Sociale aanpassing

Sociale aanpassing klinkt in onze oren toch weer bevoogdend, van boven naar beneden. Maar die term had in die tijd een wat andere lading en betekenis.
Vlak na de Tweede Wereldoorlog was sociale wederopbouw noodzakelijk. Veel mensen waren ontworteld door de ingrijpende gebeurtenissen in de oorlog en moesten zich weer aanpassen, of zoals we het nu zouden zeggen, ‘hun plek weer vinden in de samenleving’.
Verder was de term 'sociale aanpassing' gebruikelijk in de psychoanalyse, die tot de jaren '60 erg populair was. De psychoanalyse heeft veel invloed heeft gehad op het social casework. Want in het social casework probeerden maatschappelijk werkers met gesprekstechieken en het hanteren van (on)bewuste psychologische mechanismen door te dringen tot de ‘werkelijke’ psychologische problemen van cliënten. Dan kon er gewerkt worden naar een versterking van het ‘ik’, zodat behoeftes, verstand en geweten met elkaar in balans zouden komen en mensen zich beter konden aanpassen aan (‘konden omgaan met’, zouden wij zeggen) situaties. Dat alles is een onversneden freudiaans gebeuren (8).

Kortom, sociaal werkers richtten zich op het repareren en polijsten van de kleine raderen van de maatschappij, het individu en diens directe omgeving. In het optimisme over de verzorgingsstaat leek de bestrijding van maatschappelijke oorzaken, vanuit het schuldgevoel dat Pierson zo indringend naar voren bracht, niet meer zo nodig. Zoals bekend leidde dat tot een tegenbeweging tijdens de jaren ’60 en ’70, die de maatschappij weer centraal stelde als veroorzaker van problemen.

Hoe is het nu

Sinds de jaren ’90 ligt de focus weer op het individu. Kristel Driessens en Dirk Geldof schreven in 2009:

"Hoe sterker het beleid zich richt op de middenklasse in de samenleving, hoe groter de druk op
sociaal werkers om individualiserend en zelfs normaliserend te werken. Naast het economisch
klimaat speelt immers ook het maatschappelijke en politieke klimaat. Het neoliberalisme van
de afgelopen twee decennia, met een sterke nadruk op individuele vrijheid en individuele
verantwoordelijkheid, en met een voortdurend pleidooi voor marktwerking en een kleinere
overheidstussenkomst, werkt ook door in het sociaal werk. Het duwt de slinger sterker dan
ooit richting individueel werk.” (9)

Driessens en Geldof constateren een historische pendelbeweging in het sociaal werk tussen de gerichtheid op het individu en op maatschappelijke structuren. De laatste tijd is er veel aandacht naar hoe daar balans in kan komen, naar hoe signalering, sociale actie en mensenrechten geïntegreerd kunnen worden in de taken van het sociaal werk.

Die aandacht voor balans is nog aandacht van denkers; theorie. We zijn er benieuwd naar hoe dat in de praktijk is.
Mail naar archief@mariekamphuisstichting.nl en vertel uw ervaringen.


Beeld
Honoré Daumier (1808-1879): Derdeklastreinwagon. Vrij van auteursrechten:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:The_Third-Class_Carriage_MET_DT2142.jpg

Noten
(1) Interview Ischa Meijer met Marie Kamphuis deel 1, Zaken van de ziel, 1992
https://www.vpro.nl/speel~POMS_VPRO_212465~afl-1-marie-kamphuis-deel-1-zaken-van-de-ziel~.html
(2) Pierson, Allard (1902), ‘Een schrede voorwaarts’, in: Verspreide geschriften, eerste reeks, deel 1, p. 355:
https://www.dbnl.org/tekst/pier003vers02_01/pier003vers02_01_0015.php. Citaat in Kamphuis, Marie, Uit de voorgeschiedenis van het ‘helpen als ambacht’ (oorspronkelijk verschenen als hoofdstuk 1 in ‘Helpen als ambacht’, Bosch en Keuning, Baarn, 1953) (Marie Kamphuis Archief inventarisnr. 1.1.1), p. 45
(3) Interview Ischa Meijer met Marie Kamphuis deel 2, Zaken van de ziel, 1992:
https://www.vpro.nl/speel~POMS_VPRO_212440~afl-2-marie-kamphuis-deel-2-zaken-van-de-ziel~.html
(4) Kamphuis, Marie., Uit de voorgeschiedenis van het ‘helpen als ambacht’ (oorspronkelijk verschenen als hoofdstuk 1 in ‘Helpen als ambacht’, Bosch en Keuning, Baarn, 1953) (Marie Kamphuis Archief inventarisnr. 1.1.1), p. 45,46
(5) idem, p. 48
(6) idem, p. 48
(7) idem, p. 49
(8) Oosterhuis, Harry en Gijswijt-Hofstra, Marijke (2008), Verward van geest en ander ongerief. Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005), band I, Bohn Stafleu van Loghum, Houten, p. 686. Lees verder over de spanning tussen disciplinering en emancipatie in het social casework: Verzelen, Wim, Disciplinering en emancipatie: het DNA-profiel van het sociaal werk, http://www.canonsociaalwerk.eu/be/essays.php#essay_7
(9) Driessens, Kristel en Geldof, Dirk (2009), Individu en/of structuur? Of wat wil het sociaal werk aanpakken? http://www.canonsociaalwerk.eu/be/essays.php#essay_2, p. 6

Marie Kamphuis over sociale actie

30 januari 2019











Bovenstaande foto is van een heel brave demonstratie uit 2016, maar het kan ook anders. In 1970 leegden bewoners van een woonwagenkamp een ton vol met hun dagelijkse behoeften in de hal van het stadhuis van het Groningse dorp Sellingen. Want ondanks eerdere klachten hadden ze nog steeds geen toiletten in het kamp. (1)

Deze gebeurtenis haalde Marie Kamphuis aan in haar lezing Sociale Actie nu?! (2). Als de woonwagenbewoners het een aantal jaren eerder hadden gedaan, zei ze, "zouden ze hardhandig zijn weggewerkt en geverbaliseerd. Nu wordt zelfs van de burgemeester verwacht dat hij (met die stank!) glimlachend deze deputatie ontvangt. En de woonwagenbewoners krijgen hun zin. (Gelukkig overigens!)” (p. 14). Ze constateerde dat er een mentaliteitsverandering heeft plaatsgevonden in de maatschappij.

Tolerantie en sterke beroepsgroepen

Door die nieuwe tolerantie, "die het mogelijk maakt dat men met activiteit en agressie aan zijn trekken komt” (p. 14) was sociale actie mogelijk geworden. Maar ook dankzij de sterker wordende beroepsgroepen van sociaal werkers. Die vond Kamphuis heel belangrijk: "Wees niet zulke individualisten als dienstverleners jaren geweest zijn, maar zie dat men eerst samen wat bereiken kan” (p. 16).
En Kamphuis moedigde dat aan: "Nu moet het ook gebeuren. En het gebeurt nu gelukkig ook, de acties springen als paddestoelen uit de grond en de dienstverleners zitten er op allerlei wijze middenin” (p. 15).

Kritiek Kamphuis

Vanaf eind jaren zestig was sociale actie een rage, vooral op sociale academies. Maar hoe instemmend Kamphuis hier ook lijkt, ze zou Kamphuis niet zijn als ze zonder meer meeging met de heersende mode. Voorstanders van sociale actie brandden de toenmalige sociale dienstverlening volledig af, en daar kon ze natuurlijk helemaal niet in meegaan.

Die voorstanders schreven, in een variant op Karl Marx’ uitspraak "godsdienst is opium voor het volk", dat het maatchappelijk werk de samenleving had overdekt met slagroom. Het casework was conformistisch, alleen gericht op maatschappelijke aanpassing. Maar individuele problemen waren politieke problemen en vereisten een heel andere strategie.
Kamphuis bracht daartegenin dat in de jaren vijftig en zestig "met veel inzet een echt democratisch en doelmatig helpen werd gerealiseerd” (p. 13) en dat de professie daar druk mee was. Zowel kwantitatief (weinig studenten, grote doorloop) als kwalitatief was de professie toen nog te zwak. En door overheid en besturen werd het maatschappelijk werk gedefinieerd tot een beperkt soort dienstverlening, door "u weet wel, van die hulpvaardige juffrouwen" (p. 13, noot 17b).
Sociale actie kon in die tijd nog niet gedaan worden.
En nu wel, maar sociaal werk was geen vrij beroep, het werken binnen een instelling bood slechts beperkte actiemogelijkheden. Kamphuis riep ertoe op om te bekijken welke mogelijkheden realistisch waren (p. 16). Maar er waren ondertussen wel een aantal dingen die sociaal werkers konden doen.

Wat sociaal werkers konden doen

1. Praktijkvoorbeelden van sociale actie verzamelen en analyseren.
Vanuit die voorbeelden konden sociaal werkers samen met gedragswetenschappers theorieën en technieken ontwikkelen. Want het begrip ‘sociale actie’ was nog veel te vaag; nagedacht moest worden over de doelen en over het hoe, wat, door wie en wanneer. Sociaal werkers waren immers aan hun beroep verplicht om deskundig en verantwoord te werk te gaan.

2. Beide methoden hanteren: individuele hulpverlening èn sociale actie.
Er hoefde volgens Kamphuis niet gekozen te worden, beide methoden bleven nodig. Daar voerde ze verschillende redenen voor aan:
- Er zijn problemen die niet beïnvloed worden door maatschappelijke structuren.
- Bij problemen met een maatschappelijke component zijn vaak zowel sociale actie als individuele hulpverlening op hun plaats. Zowel het conflictmodel (de sociaal werker strijdt samen met de cliënt tegen de maatschappij) als ook het integratiemodel (de sociaal werker streeft naar aanpassing van de cliënt aan de maatschappij) moest worden gehanteerd (p. 16). Uitgezocht moest worden welke methode wanneer het meest passend is.
- Door de welvaartsmaatschappij nemen individuele, psychosociale problemen komende tijd toe (p. 15).
Deze laatste reden van Kamphuis klinkt overigens een beetje vreemd, want als het door de welvaartsmaatschappij komt zouden die problemen juist niet individueel zijn.

3. Bij sociale actie niet alleen het conflictmodel hanteren.
Ook bij beïnvloeding van de omgeving is volgens Kamphuis het conflictmodel niet altijd het beste model. "Heel wat veranderingen in de omgeving, waarbij de werker ‘zich actief opstelt’, verlopen bepaald niet met conflicten” (p. 8).

Valkuilen bij sociale actie

Kamphuis waarschuwde ook voor valkuilen. Als bepaalde aspecten worden verwaarloosd - welke noemde ze niet - kan er een boemerangeffect ontstaan, waarbij de actievoerders (cliënt en/of sociaal werker) alleen maar de dupe worden van hun poging.
Ook kan er een penicilline-effect optreden. De samenleving raakt dan gewend aan protest. De gevestigde orde (overheid, machtige bedrijven, pers) ontwikkelt antistoffen en wordt immuun.

Het penicilline-effect doet denken aan het begrip ‘repressieve toleratie’ (3) dat de filosoof Marcuse in 1965 invoerde. Misschien had Kamphuis daarover gelezen of gehoord. Marcuse bedoelde met repressieve tolerantie dat het een kwalijk gevolg heeft als alle protest in een samenleving gelijkwaardig wordt behandeld. Want als destructief protest, dat de democratie wil ondermijnen, een gelijke plaats heeft, wordt het ‘goede’ protest van haar kracht beroofd.

Is dat penicilline-effect in de 21ste eeuw inmiddels opgetreden? We zijn er inmiddels (bijna) aan gewend dat persoonlijke meningen ongezouten worden geuit. Onwrikbare opinies en gewelddadige protestacties worden vaak bepaald door onderbuikgevoelens en door jongerenbendes die alleen maar uit zijn op een rel. Soms geeft de overheid zelfs toe, met als reden dat maatschappelijke onrust moet worden vermeden, wat op een vorm van chantage gaat lijken. Wordt ‘beschaafd’ protest, dat haar boodschap respectvol wil overbrengen, nog wel gehoord?

Des te meer reden om, zoals Kamphuis aanbeveelt, deskundig te werk te gaan en op te pakken waar onze voorgangers in de jaren zeventig en tachtig gebleven zijn.

Foto:
Liesbeth Simpelaar: Utrecht, demonstratie 5 juni 2016 tegen verbreding A27 (vrij van auteursrechten)

Bronnen
(1) Artikel in de Nieuwe Leidsche Courant, 24 februari 1970: https://leiden.courant.nu/issue/NLC/1970-02-24/edition/0/page/5 (rechtsonder)
(2) Kamphuis, Marie (1970), Sociale Actie nu?! Rede ter gelegenheid van haar afscheid als directrice van de ASCA. Uitgeverij De Tijdstroom, Lochem. Marie Kamphuis Archief, inventarisnummer 1.1.1.
(3) Meer info: https://nl.wikipedia.org/wiki/Repressieve_tolerantie

Een keuze voor isolement

Praktijkvoorbeeld bij thema 2: Mag een cliënt keuzes maken die indruisen tegen het eigenbelang?
20 November 2018
Door Lou Jagt



















Ik neem een casus die ik gebruikt heb in mijn boek Onvrijwillige Hulpverlening en zal daarbij beschrijven wat ik als sociaal werker zou doen.

In De Stem van 12 november 1998 werd onder de titel Zwijgzaam stel uit Geldrop een artikel gepubliceerd over een zonderlinge broer en zus die al jarenlang op dezelfde plek wonen, aanvankelijk in een woonboerderij, daarna in een schuur, vervolgens in een kippenhok en sinds kort in een provisorisch bouwsel tussen het onkruid. Er is geen toilet en geen aansluiting op gas, licht en water. Het tweetal wisselt al jaren geen woord meer met de buitenwacht, officiële stukken blijven onbeantwoord. Twee broers zijn aangesteld als bewindvoerder en voor de rest kan er niets gedaan worden. "Het is hun vrije keus om zo te leven,” aldus de burgemeester.

Het gaat in deze zaken vrijwel altijd om een afweging tussen het zelfbeschikkingsrecht en het recht op een menswaardig bestaan. Het maakt hierbij een groot verschil door wiens bril naar de woon- en leefomstandigheden wordt gekeken en vanuit welke visie een afweging wordt gemaakt. De krantenkop Niet betuttelen, niet laten verzuipen (NRC 15 okt.1998) verwoordt in kort bestek het dilemma. Of wel of niet tot ingrijpen besloten wordt: altijd dienen hulpverleners van hun besluit verantwoording af te leggen. (1)

Wat zou ik als sociaal werker in deze situatie doen? Mijns inziens is de methode Taakgerichte Hulpverlening bij uitstek geschikt om de verstrengeling die vaak bestaat tussen gedrag dat anderen schaadt en gedrag dat het eigenbelang schaadt, te ontwarren en bespreekbaar te maken.
In deze situatie is er geen sprake van overlast voor de naaste omgeving. Een gevaarlijke staat van zelfverwaarlozing is mogelijk aanwezig maar dat zal door de zus en broer in Geldrop vooralsnog ontkend worden. Deze mensen dan maar gewoon laten verzuipen? Dat lijkt mij voor een sociaal werker geen verantwoorde keus.

Mijn keus zou zijn: de vinger aan de pols houden, deze mensen bijvoorbeeld eenmaal per maand bezoeken, samen met een verpleegkundige en daarvan een beknopt verslag maken. Het zal een hele klus zijn een ingang te vinden bij deze mensen. Uitvinden wat in hun leefsituatie hen kan aanspreken is een mogelijkheid. Iets meebrengen op het gebied van eten en drinken, een klusje verzorgen in de chaos, etc. Iets kleins, en dat herhalen.
Mogelijk creëer je daarmee een basale verstandhouding die kansen biedt voor een verdergaande hulpverlening indien dat nodig lijkt.

Bron: (1) Jagt, Lou (2010), Onvrijwillige Hulpverlening, uitg. Bohn Stafleu van Loghum, p 61
Foto: Liesbeth Simpelaar

Mag een cliënt keuzes maken die indruisen tegen het eigenbelang?

Thema 2 van serie Forum, 6 november 2018



















Stel, je cliënt neemt een beslissing die in jouw ogen schadelijk is voor hem/haar zelf. Probeer je het besluit te beïnvloeden, ja of nee?

Je hebt bijvoorbeeld een cliënt die obesitas heeft en alle hulp weigert om slechte eetgewoontes te veranderen. Of een cliënt die telkens teruggaat naar haar mishandelende partner. Of een cliënt die in armoede leeft en een lening wil afsluiten om een dure auto te kopen. Of een gehandicapte cliënt die een opleiding wil volgen maar daarin volgens de medische diagnose niet zal slagen.

Wat weegt voor jou zwaarder, de keuzevrijheid of het eigenbelang van de cliënt? Je kunt iemand natuurlijk niet dwingen. Maar houd je je meer op de vlakte en laat je de cliënt in zijn/haar beslissing, of ga je praten als brugman en wellicht een beetje sturen? Waar leg je het accent?

Vanuit de literatuur zijn er allerlei argumenten aangedragen voor beide handelwijzen. Ik zet ze hier even op een rijtje.

Handelwijze 1. De cliënt brengt alleen schade toe aan zichzelf, dus je moet diens keuzevrijheid respecteren. Want:

  • Als iets eigen keus is, zijn tegenslagen makkelijker te verdragen (1)
  • Zelfbeschikking houdt het recht in om te falen. Al zijn doelen en keuzes van cliëenten onrealistisch, sociaal werkers mogen niet ontmoedigen maar moeten faciliteren. Alleen door eigen ervaring kan een mens zijn/haar capaciteiten testen, leren van fouten en verantwoordelijkheidsgevoel opbouwen. Sociaal werkers zijn vaak te risicomijdend, ze leggen de nadruk op afwegen van voor- en nadelen, dat kan ook een te eng conservatisme inhouden. Het leven is niet perfect, mensen zijn niet perfect, hulpverlening houdt in dat je mensen daarmee leert leven. (2)
  • Het is de plicht van sociaal werkers om cliënten en hun beslissingen te respecteren; het belangrijkste is het in stand houden van de vertrouwensrelatie. (3)
  • Wie ben ik als sociaal werker om te denken dat ik een juistere beslissing neem dan de cliënt zelf? Als iemand geestelijk in staat is besluiten te nemen, is zelfbeschikking een democratisch recht. Je moet het recht op zelfbeschikking zo breed mogelijk laten functioneren. (4)
  • Als een cliënt alleen zichzelf in de vingers snijdt, moet je diens keuzevrijheid respecteren. In de beroepscode (2016, p. 9) staat: ‘De maatschappelijk werker erkent de eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van handelen van de cliënt, binnen de grenzen die door de wetgever zijn gesteld. De maatschappelijk werker let erop dat de cliënt de consequenties van zijn keuzen overziet en daarmee niet de keuzevrijheid en het welzijn van anderen belemmert.’
  • Maatschappelijk werkers mogen hun eigen doelstellingen niet opleggen, ze eerbiedigen het recht van cliënten hun eigen besluiten te nemen en zelf hun plannen te maken. Anders beschouw je, net als in de oude filantropie, de ontvanger van hulp als je mindere. (5)

Handelwijze 2. De cliënt brengt alleen schade toe aan zichzelf, maar het is jouw verantwoordelijkheid om de gevolgen van de keuze goed te bespreken; eventueel te sturen, eventueel zelfs als voorwaarde voor hulp te stellen dat die gevolgen worden besproken. Want:

  • Het is te kort door de bocht om te zeggen dat sociaal werkers mensen helpen te doen wat ze willen. Sociaal werkers hoeven niet mee te gaan met elke gril, elke tijdelijke gemoedstoestand. Ze moeten zorgen dat cliënten hun besluiten weloverwogen nemen. (6)
  • Sociaal werkers moeten cliënten respecteren als persoon. Dat houdt ook in dat sociaal werkers de verplichtingen erkennen die die persoon heeft ten aanzien van anderen en ten aanzien van zichzelf. Vaak is het de sociaal werker die deze verplichtingen aan de orde moet stellen. Dat vindt plaats in het proces van besluiten nemen, dat onderdeel is van het social casework. (7)
  • Zelfbeschikking is een relatief, geen absoluut principe: ‘If the client is endangering others or himself, it must be superseded by another, namely, the worker ’s responsibility to prevent suffering.’ (8)
  • De sociaal werker moet zorgen dat de tijd genomen wordt om de beslissing te bespreken en op zoek gaan naar onderliggende wensen en conflicterende gevoelens. Wat mensen willen is niet eenduidig, er zitten verschillende kanten aan en het verschilt in de tijd. (9)
  • Sociaal werkers beinvloeden cliënten al met versterkende, instemmende, afkeurende en negerende reacties. Ze gebruiken altijd al hun autoriteit, ook als ze non-directief denken te zijn. (10)
  • Soms is niet te verwachten dat een cliënt leert van zijn/haar fouten en op de lange termijn in staat zal zijn zelf beslissingen te nemen. (11)

Vraag aan jou:
Kun je een praktijkvoorbeeld geven, waarin de cliënt iets wilde wat volgens jou indruiste tegen diens eigenbelang? Hoe heb je gehandeld en waarom? Hoe pakte dat uit?


Bronnen
1. Perlman, Helen, ‘Self-Determination: Reality of Illusion’? In: McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, Routledge & Kegan Paul, London and Boston, 1975, p. 69. Marie Kamphuis Archief, inventarisnummer 1.7
2. Soyer, David, ‘The Right to Fail’. In: McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, p. 53-64
3. McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, p. 9 (Visie vanuit een deontologische ethiek)
4. Kamphuis, Marie, Wat is social casework? Samsom, Alphen aan de Rijn,, 1977, 11de druk, p. 73,74. Marie Kamphuis Archief, inventarisnummer 1.1.1
5. Hamilton, Gordon, Theorie en practijk van het social casework, Ploegsma Amsterdam. 1951, p. 14-17
6. Timms, Noell, Social Casework, Routledge and Kegan Paul, New York, 1966, p. 61
7. Timms, Noell, Social Casework, p. 62
8. Whittington, Colin, ‘Self-Determination re-examined’. In: McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, p. 82 (Whittington citeert hier Florence Hollis)
9. Bernstein, Saul, ‘Self-determination: King or Citizen in the Realm of Values?’ In: McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, p. 34,35
10. Whittington, Colin, ‘Self-Determination re-examined’. In: McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, p. 89 (Whittington beschrijft hier een onderzoek)
11. McDermott, F.E., Self-Determination in Social Work, p 9

Foto: Liesbeth Simpelaar

Out-of-the-boxoplossing

Reactie uit de praktijk op thema 1: Helpen bij het maken van keuzes
10 oktober 2018

Door Joyce Neijenhuis
- Praktijk Joyce Neijenhuis voor psychosociale begeleiding & consultancy: http://joyceneijenhuis.nl/
- Direceur BMW Voor Elkaar BV: https://www.bmwvoorelkaar.nl/

Regelmatig begeleid ik werknemers bij het maken van keuzes. Soms als bedrijfsmaatschappelijk werker (bmw’er), maar ook vaak als vertrouwenspersoon voor ongewenste omgangsvormen.
Daarbij gebruik ik twee methodes: Moreel Beraad en Problem Solving Therapy (PST), met de stappen die daarin geformuleerd zijn. Deze methodes en de stappen daarbij hebben duidelijke raakvlakken met wat Perlman beschreef in de twintigste eeuw.

Leuk om hier middels dit stuk weer even mee bezig te zijn, ik pas het zo regelmatig toe dat het bijna geen stappen meer zijn voor mij.

Moreel Beraad

Bij een vraag over zingeving of ten aanzien van waarden en normen vind ik het Moreel Beraad een mooie methode. Vooral de eerste fase van het Moreel Beraad kan de cliënt helpen te onderzoeken waarom de vraagstelling is zoals die is. Zijn er externe factoren, bijvoorbeeld uit de privé-sfeer, die oorzaak zijn van of invloed hebben op het probleem? Waardoor wordt het dilemma beïnvloed of veroorzaaakt? Door op deze "trage” manier te kijken onderzoekt de cliënt de beweegredenen van zijn/haar vraag. Een mooie manier om te werken. Cliënten moeten soms wel wennen aan deze manier van denken maar ervaren dit vaak later als zeer waardevol.

De fases van het Moreel Beraad zijn:
1. Onderzoek van de situatie en van het dilemma
2. Weging
3. Besluitvorming

Mijn rol is vooral begeleidend, faciliterend, ik help bij het stellen van de juiste vragen en houd ook een spiegel voor. Het is van belang dat vooral de cliënt aan het werk is. In mijn begintijd als bmw’er was ik vooral hard aan het werk!

Problem Solving Therapy

Heel praktisch zijn de zeven stappen van de PST:
1. Verkenning en heldere omschrijving van het probleem
2. Stellen van een realistisch doel
3. Genereren van mogelijke oplossingen
4. Overwegen van voor- en nadelen van elke mogelijke oplossing
5. Kiezen van de oplossing die het beste past
6. Uitvoeren van de oplossing
7. Evalueren

Bij de stap ‘generen van oplossingen’ is het interessant als er gekeken wordt naar out-of-the-box-oplossingen. Het nadenken over een oplossing die heel vreemd is – of misschien wel helemaal niet kan -, werpt soms een heel ander licht op de situatie, waardoor een cliënt het probleem anders kan gaan ervaren. Vaak gaat dit met humor gepaard, waardoor de zwaarte ook even van het probleem af kan zijn.

Praktijkvoorbeeld out-of-the-box-oplossing

Ik kan het volgende praktijkvoorbeeld geven.
Een cliënt van mij, Jan, had een probleem met zijn nieuwe leidinggevende. Hij werkte al 25 jaar op de afdeling Klantenservice van een technische groothandel, had het prima naar zijn zin, maar moest erg wennen aan bepaalde veranderingen.

Het bedrijf had verschillende andere bedrijven overgenomen, waardoor de klantenservice erg groot was geworden. Sinds een half jaar was een coördinator aangesteld om leiding te geven aan het werkproces. Jan vond het lastig dat hij niet meer alles kon doen zoals het altijd ging, en had moeite met het feit dat hij leiding kreeg van iemand die, zo zei hij, ‘nog nooit een schroevendraaier in haar handen heeft gehad’.

Ik heb samen met Jan de methode PST toegepast. Bij het out-of-the box denken hebben wij samen verschillende oplossingen uitgewerkt. Een oplossing was het "wegwerken" van de leidinggevende en gewoon alles weer lekker op de oude manier doen. Toen we deze oplossing gingen uitwerken in het plan van aanpak, bleek dat Jan met andere ogen ging kijken. Het was eigenlijk best een leuke collega, en ze verdiende het niet om haar baan kwijt te raken. En daarbij merkte Jan dat hij dan zelf weer verantwoordelijk werd voor de tijdigheid, het afwikkelen van klachten e.d.

Door op een andere wijze te kijken kon hij uit zijn koker van boosheid en frustratie stappen en kijken naar de voordelen van het hebben van een coördinator. Hij was beter in staat te zien waar zijn frustratie lag, en dat dit niet lag bij de werkrelatie met de coördinator maar wel te maken had met het wennen aan veranderingen.

Uiteindelijk is onder leiding van bmw een gezamenlijk gesprek geweest met Jan en de coördinator. De coördinator gaf in dat gesprek aan dat de afstandelijke en boze houding van Jan maakte dat zij nog meer op hem ging letten. De gevoelens over en weer zijn goed uitgesproken.

Na een half jaar was ik weer op deze afdeling en gaven zij beiden los van elkaar aan dat het goed ging. Jan was haar vraagbaak geworden voor technische details, en kon zich weer richten op het werk dat hij echt leuk vond: het beantwoorden van de technische vragen van de klanten.

Vriendelijke groet, Joyce Neijenhuis

Afbeelding: De kat van Schrödinger. LOGO voor Korean Wikipedia's event of Month of Science. Gemaakt door Jjw [CC BY-SA 4.0(https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)], via Wikimedia Commons. Met deze naamsvermelding vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:LOGO_for_Korean_Wikipedia%27s_event_of_Month_of_Science.svg?uselang=nl


Helpen bij het maken van keuzes

Thema 1 van serie Forum, 10 september 2018



















Keuzes maken is niet altijd makkelijk. Zoals voor de zeventiende-eeuwse Mooie Alie op dit schilderij. Ze weet niet wie ze als huwelijkspartner moet kiezen. Want, wil ze luxe of liefde? Ze leunt half tegen de jongere man aan terwijl de oude man haar probeert te verleiden met een zak met geld, waar ze al wat uit lijkt te willen pakken. Ze wordt heen en weer getrokken door haar gevoelens en verlangens.
Misschien heeft ze haar hele leven alleen armoede gekend en zou ze daar heel graag van verlost worden. Maar ja, dan zal ze wel naar bed moeten met die oude man. Misschien is ze verliefd op de vrolijke jongeman maar betekent dat een leven lang ploeteren voor de kost. Misschien duizelt het haar en kan ze niet goed nadenken.

Soms voelen we ons niet in staat om een beslissing te nemen en zoeken we er hulp bij. Maar ook met die hulp willen we de beslissing uiteindelijk zelf kunnen nemen, zonder ergens toe gedwongen te worden.

Het vermogen tot zelfbeschikking

Daarom geldt voor cliënten het recht op zelfbeschikking. Maar hoe zit het dan als iemand niet in staat is om keuzes te maken? Hoe kunnen we dan helpen zonder dat recht op zelfbeschikking aan te tasten?
Door ziekte en in tijden van crisis kan het vermogen tot zelfbeschikking tijdelijk verminderd zijn, en ook verschilt dat vermogen per mens: de ene mens is beter in staat om besluiten te nemen dan de andere. Dat laatste merkte Helen Perlman aan haar cliënten (in de VS, 20ste eeuw). Die hadden in hun jeugd weinig keuzes gehad. Ze hadden niet het gevoel ontwikkeld dat ze invloed hadden op hun leven, dat ze vrij waren om hun eigen keuzes te maken. Sommige cliënten waren gewend om snel en impulsief te reageren, wat hen soms duur kwam te staan.

Helpn bij het maken van keuzes

Daarom beschreef Perlman (1) hoe sociaal werkers het vermogen tot zelfbeschikking konden helpen bevorderen, met behoud van het recht op zelfbeschikking. Volgens haar kon dat door samen met cliënten veel te oefenen in het maken van keuzes; allerlei soorten keuzes, kleine en grote, dagelijkse en minder dagelijkse.

Dat oefenen hield een gezamenlijk onderzoek in dat alle stappen van een besluitvormingsproces doorloopt: het waarnemen van de situatie, het overwegen van handelingsopties, het verantwoordelijkheid nemen voor de beslissing en het overzien van de gevolgen van die beslissing. Perlman beschreef bij iedere stap de rol die de sociaal werker erbij had:

1. Waarnemen. De sociaal werker vraagt bv.: ‘Wat zie je als moeilijkheden, klein of groot?’ Hij of zij helpt om het probleem of de vraag duidelijk en realistisch in beeld te brengen en te begrijpen, niet gekleurd door heftige gevoelens, grote stress en dringende behoeften.
Ook helpt de sociaal werker de cliënt in te zien hoe hij of zij met bepaalde reacties mogelijk zelf onderdeel is van het probleem.

2. Overwegen. Nu wordt bewust bekeken, gevisualiseerd, welke acties en reacties mogelijk zijn. De mogelijkheden van de cliënt, van de sociaal werker, de instelling en uit de sociale context van de cliënt worden op een rij gezet. Vragen zijn bv.: ‘Welke acties en reacties zijn mogelijk, geschikt, nuttig? Wat gebeurt er waarschijnlijk bij de verschillende opties? Wat is daar slecht aan, wat goed, hoe voel je je daarbij?’
Bij iedere optie worden ook de reacties en gevoelens van anderen betrokken, dus een verdere vraag kan zijn: ‘Wie zal het kwetsen of helpen?’
De sociaal werker stelt vragen die tot denken aanzetten, doet suggesties, is steunend of provocerend en bevestigt herhaaldelijk dat het moeilijk is om situaties te overdenken en niet impulsief te reageren.
Ook helpt de sociaal werker te beseffen en te accepteren dat elke keuze een keuze is tussen minder goed en minder slecht: er zijn geen perfecte oplossingen in het leven.

3. Beslissen. De cliënt beslist. De sociaal werker helpt de cliënt beseffen dat hij/zij de keuze zelf maakt.

4. Gevolgen overzien. De sociaal werker helpt de cliënt om te gaan met de moeilijkheden die gevolg zullen zijn van de keuze en met het verteren van de teleurstellingen die inherent zijn aan de keuze.

Perlman besteedde veel aandacht aan stap 2, het overwegen. Maar die stap hoeft natuurlijk niet altijd de moeilijkste te zijn. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat een cliënt stap 3 het moeilijkst vindt omdat hij of zij de knoop niet durft door te hakken, of stap 4, omdat er altijd wel iemand is die niet blij zal zijn met zijn of haar beslissing.

De stappen in een keuzeproces en de hulp daarbij, zoals Perlman die nu zo’n 50 jaar geleden beschreef, zijn erg interessant. We zijn benieuwd hoe sociaal werkers dat tegenwoordig doen. Daarom vragen we jou hieronder of je kunt beschrijven hoe jij een cliënt hebt geholpen bij het maken van een keuze.

Vragen aan jou
  • Heb jij wel eens een cliënt begeleid bij het maken van een keuze? Kun je vertellen hoe dat ging?
  • Herken je daarin (een deel van) de vier stappen van besluitvorming en de rol van de sociaal werker zoals Perlman die beschreef? Of heb je het heel anders aangepakt?

Noten
(1) Helen Perlman, ‘Self-determination: reality or illusion?’ In: F.E.McDermott (1975), Self-determination in social work, Routledge & Kegan Paul, London and Boston, p. 65-79. Marie Kamphuis Archief, inventarisnummer 1.7

Afbeelding
Claes Corneliszoon Moeyaert (circa 1592-1655): Mooie Alie en haar aanbidders: de keuze tussen jong en oud. Afbeelding is vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:SB_6415-Mooy-Aal_en_haar_aanbidders-De_keuze_tussen_jong_en_oud.jpg


De serie Verleden in Beeld (2016-2018)

De serie Verleden in Beeld is hieronder in pdf's te lezen. Deze serie ging over de wordingsgeschiedenis van het sociaal werk, vanaf het Indiase hindoeisme (3000 v. C.) tot en met de Nederlandse twintigste eeuw. Gaandeweg is bij het schrijven van de serie steeds meer aandacht besteed aan vrouwen, als ontvangers en als gevers van hulp.

Afbeelding rechts:Elisabeth van Thüringen: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Elisabet_av_Th%C3%BCringen.jpg?uselang=nl

Bij de serie Verleden in Beeld heb ik me laten leiden door de definitie van sociaal werk op https://www.movisie. nl/ artikel/ internationale- wereld-social-work: ‘Social work is a practice-based profession and an academic discipline that promotes social change and development, social cohesion, and the empowerment and liberation of people. Principles of social justice, human rights, collective responsibility and respect for diversities are central to social work. Underpinned by theories of social work, social sciences, humanities and indigenous knowledge, social work engages people and structures to address life challenges and enhance wellbeing.’


De Uitgelichtjes in de pdf's hieronder gingen over actuele onderwerpen in het sociaal werk, verbonden met een bron uit het Marie Kamphuis Archief:


 
 
normaal groter grootst